De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. Vorige week kon u lezen dat de fiscale wetgever dit najaar nog veel werk aan de winkel heeft, aangezien hij tegen eind dit jaar de Europese 'spaarrichtlijn' moet omzetten in Belgisch recht. Bedoeld is de richtlijn die ervoor moet zorgen dat interesten van spaartegoeden die burgers in een andere lidstaat van de Europese Unie hebben belegd, in ieder geval aan belasting worden onderworpen. Dit resultaat moet worden bereikt via de organisatie van een gigantisch stelsel van informatie-uitwisseling tussen de verschillende lidstaten, en - in een overgangsregeling - door aan België, Luxemburg en Oostenrijk de mogelijkheid te bieden een Europese bronheffing in te houden (in plaats van aan informatie-uitwisseling te doen). Pakket. Behalve deze Europese spaarrichtlijn moeten de lidstaten tegen eind dit jaar nog een andere richtlijn omzetten. In het zog van de spaarrichtlijn is immers ook de 'interest- en royaltyrichtlijn' goedgekeurd. Beide richtlijnen behoorden tot een pakket fiscale maatregelen waarvan het politieke lot onlosmakelijk met elkaar was verbonden. De goedkeuring van de spaarrichtlijn zette meteen het licht op groen voor de goedkeuring van de interest- en royaltyrichtlijn. Beide richtlijnen zijn inmiddels goed en wel in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd en wachten dus op uitvoering. Ze moeten tegen eind dit jaar zijn omgezet in nationale wetgeving. Het verschil is dat de regeling waarin de spaarrichtlijn voorziet, pas op 1 januari 2005 in werking treedt, en dan nog alleen als tegen die tijd aan bepaalde voorwaarden is voldaan. De interest- en royaltyrichtlijn daarentegen zal meteen vanaf 1 januari 2004 effect hebben. Dividenden. Deze laatste richtlijn is voor interesten en royalty's wat de 'moeder-dochterrichtlijn' voor dividenden is. De moeder-dochterrichtlijn dateert van begin de jaren negentig van vorige eeuw. Zij voorziet erin dat de lidstaat waar de 'dochtervennootschap' is gevestigd, zich (onder bepaalde voorwaarden) moet onthouden van bronheffing, terwijl de lidstaat waar de 'moedervennootschap' is gevestigd zich (onder bepaalde voorwaarden) moet onthouden van het belasten van de ontvangen dividenden (aangezien die normaal al in de bronstaat de vennootschapsbelasting hebben ondergaan). In de Belgische wetgeving is dit gerealiseerd door de dividenden die Belgische 'dochters' aan hun 'moeders' uitbetalen, vrij te stellen van roerende voorheffing; en door aan Belgische 'moeders' toe te staan dat de dividenden die zij van hun 'dochters' ontvangen als 'definitief belaste inkomsten' mogen worden afgetrokken van het fiscaal resultaat. Uiteraard voor zover aan alle voorwaarden is voldaan. Interesten. De interest- en royaltyrichtlijn zegt nu - naar analogie - dat de lidstaat waar de onderneming is gevestigd die de interesten of royalty's uitbetaalt, geen bronheffing mag inhouden, op voorwaarde (onder meer) dat de onderneming die de betaling ontvangt, een 'verbonden onderneming' uit een andere lidstaat is. Anders dan de moeder-dochterrichtlijn (in verband met dividenden) verbiedt de interest- en royaltyrichtlijn niet dat de lidstaat waar de verkrijger van de inkomsten is gevestigd nog tot belastingheffing overgaat. Dat is ook logisch. Anders dan dividenden worden interesten en royalty's immers niet aan vennootschapsbelasting onderworpen bij de vennootschap die ze uitbetaalt, maar wel bij de vennootschap die ze ontvangt. Verrekening. De vrijstelling van bronheffing waarin de interest- en royaltyrichtlijn voorziet, is bijzonder belangrijk voor de praktijk. Een Belgische vennootschap die interesten ontvangt waarop een buitenlandse bronheffing is ingehouden, kan deze bronheffing vandaag slechts onder strenge voorwaarden verrekenen met de Belgische belasting die zij is verschuldigd. Krachtens de nieuwe richtlijn zal geen bronheffing meer mogen worden ingehouden op de interesten die de vennootschap vanwege een verbonden onderneming in een andere lidstaat ontvangt. Dit heeft tot gevolg dat het probleem van een eventuele beperking van de verrekenbaarheid van de buitenlandse bronheffing eenvoudigweg niet meer rijst; en dat de Belgische vennootschap die de interesten verkrijgt ook geen bronheffing meer moet voorfinancieren. Binnenland. Net zoals de moeder-dochterrichtlijn is de interest- en royaltyrichtlijn in principe alleen van toepassing bij grensoverschrijdende betalingen. De Belgische fiscus heeft evenwel zoveel jaar geleden de wijsheid opgebracht om de principes van de moeder-dochterrichtlijn niet te beperken tot dividenden die naar of vanuit een andere lidstaat worden betaald; maar ze ook toe te passen op dividenduitkeringen tussen Belgische moeders en dochters. Laten we hopen dat de fiscus ook bij de implementatie van de interest- en royaltyrichtlijn dezelfde wijsheid zal opbrengen. En dat hij de vrijstelling van bronheffing dus ook van toepassing verklaart op betalingen tussen Belgische verbonden ondernemingen. In de fiscale vakpers is overigens al opgemerkt dat de fiscus weinig keus heeft. Het gelijkheidsbeginsel eist dat hij belastingplichtigen niet op discriminerende wijze behandelt. We zien bijgevolg niet in hoe de fiscus de vrijstelling van bronheffing zou kunnen toekennen bij grensoverschrijdende betalingen zonder ze meteen ook van toepassing te verklaren op betalingen in het binnenland. Jan Van DyckDe vrijstelling van bronheffing is bijzonder belangrijk voor de praktijk.