Nu het enkele maanden wachten is op de nieuwe Europese Commissie, lijkt het goed om te reflecteren over de vraag hoe Europa zijn schrapende economische groeimachine nieuwe impulsen kan geven. Zo'n vijftien jaar geleden ontwikkelde Europa zijn Lissabonstrategie. Een strategie met een prachtige ambitie: de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie in de wereld worden, met ook nog duurzame economische groei, en last but not least het continent zijn dat zorgt voor meer en betere banen en een hechte sociale samenhang.
...

Nu het enkele maanden wachten is op de nieuwe Europese Commissie, lijkt het goed om te reflecteren over de vraag hoe Europa zijn schrapende economische groeimachine nieuwe impulsen kan geven. Zo'n vijftien jaar geleden ontwikkelde Europa zijn Lissabonstrategie. Een strategie met een prachtige ambitie: de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie in de wereld worden, met ook nog duurzame economische groei, en last but not least het continent zijn dat zorgt voor meer en betere banen en een hechte sociale samenhang. De uitvoering van de Lissabonstrategie was gebaseerd op het gebruik van 'softe' beleidsmaatregelen voor de lidstaten zoals de open method of coordination, waarbij lidstaten elkaar beoordelen en beleidsadviezen geven. Niet echt een succes, is het minste wat men van deze methode kan zeggen. Een extreem voorbeeld was -- en is -- het verschil tussen de 'harde' begrotingsnorm van 3 procent, tegenwoordig zowat het enige serieuze overblijvende criterium van de oude Maastrichtcriteria, en de 'zachte' R&D-norm van 3 procent waarbij landen 3 procent van hun bbp zouden investeren in onderzoek en ontwikkeling: de zogenaamde Barcelonanorm die slechts door een handvol landen nagestreefd werd. Het resultaat laat zich raden. In 2000 lagen de R&D-uitgaven van de hele Europese Unie ongeveer op het niveau van de VS. Vandaag liggen ze zo'n 40 procent lager. En binnen Europa heeft zich een vergelijkbare ontwikkeling voorgedaan: gaf Frankrijk in 2000 ongeveer hetzelfde bedrag uit aan R&D als Duitsland, dan is dat vandaag 40 procent minder. De ontwikkelingen over de laatste vijfiten jaar zijn illustratief voor een eenvoudige constatering: zachte beleidsmaatregelen zijn niet opgewassen tegen harde. De enige manier om de oude Lissabonambities te realiseren voor concurrentie en werkgelegenheid is een echt gemeenschappelijk Europees wetenschapsbeleid. Alleen zo kan de zachte R&D-norm van 3 procent afgedwongen worden in het kader van die andere harde norm van 3 procent. Dan zou al dat goedkope geld waarop lidstaten nu een beroep kunnen doen ook daadwerkelijk worden geïnvesteerd in onderzoek en in versterking van de concurrentiekracht van de Europese economie. Een gemeenschappelijk wetenschapsbeleid is ook vanuit subsidiariteitsperspectief logisch. Het onderzoeksbeleid in Europa probeert met zijn joint programming de nationale onderzoeksinspanningen te poolen met de Europese onderzoeksprogramma's om zo gemeenschappelijke uitdagingen beter te kunnen aangaan. Maar dat onderzoeksbeleid illustreert hoe de focus in Europa de afgelopen jaren vooral lag bij de problemen ten gevolge van overlappingen tussen nationaal (en zoals bij ons regionaal) en Europees beleid. Uiteindelijk zijn het allemaal lapmiddelen om de tegenstellingen tussen nationale en Europese prioriteiten te verdoezelen. Hoogste tijd dus voor wat meer radicale Europese hervormingen. Mijn voorstel: bouw het Europese landbouwbeleid af en geef de landbouwfondsen terug aan de lidstaten. Dichter bij de natuur, de lokale noodzaak en de variëteit is tegenwoordig karakteristiek voor dit beleid. Voedselzekerheid is weliswaar een mondiaal probleem, het vereist vooral lokaal beleid. Vul de vrijgekomen ruimte in de Europese begroting met de nationale onderzoekfondsen onder de Europese vlag. Daarmee verzeker je die fondsen van stabiliteit, zeg maar duurzaamheid. Door de koppeling met die begrotingsnorm van 3 procent kunnen landen niet meer bezuinigen op onderzoek en innovatie om hun nationale begroting op orde te krijgen. Waar nu altijd weer de verleiding bestaat bij lidstaten om hun begrotingstekort onder controle te krijgen middels korting op de nationale onderzoekuitgaven, wordt hen dit instrument nu ontnomen. En natuurlijk bouw je geen nieuwe Europese instituties, maar gebruik je bestaande nationale instituties door er een Europese dimensie aan toe te voegen. Zo zou de Europese onderzoeksruimte eindelijk ook een echt Europese ruimte worden, gekenmerkt door mobiliteit maar ook door standvastigheid en financiële zekerheid op lange termijn. Onderzoek is essentieel voor onze toekomstige welvaart, voor het oplossen van al onze huidige en toekomstige problemen, maar ook om onze bedrijven en hun meer toepassingsgerichte onderzoeksactiviteiten in Europa te verankeren. De auteur is rector van de Universiteit Maastricht.LUC SOETEOnderzoek is essentieel voor onze toekomstige welvaart.