Binnen de Europese Unie (EU) gaan de zwaarste disputen doorgaans over drie thema's: geld, verdeling van de macht en 'buitenlandse' crisissen (herinner u de zielenstrijd van de EU in de aanloop naar de door de Amerikanen geleide invasie van Irak).
...

Binnen de Europese Unie (EU) gaan de zwaarste disputen doorgaans over drie thema's: geld, verdeling van de macht en 'buitenlandse' crisissen (herinner u de zielenstrijd van de EU in de aanloop naar de door de Amerikanen geleide invasie van Irak). In 2008 zal de EU eindelijk een langdurige twist over de macht te boven komen die ingezet werd door het schielijke overlijden van de 'Grondwet voor Europa' (die drie jaar geleden in referendums de nek werd omgewrongen door de Nederlandse en Franse kiezers). Maar nu wordt de Unie alweer geconfronteerd met een paar rellen over geld en, op het vlak van de buitenlandse politiek, met een zware test over haar moed in de Kosovokwestie. De teloorgang van de grondwet zette twee jaar van gekibbel in gang over het opstellen van een iets bescheidener 'hervormingsverdrag'. De verkiezing van een dynamische nieuwe leider in Frankrijk, Nicolas Sarkozy, bleek in de zomer van 2007 de sleutel te zijn om een einde te maken aan dergelijke institutionele vechtpartijen en de verschillende regeringen hebben nu een overeenkomst bereikt over een eindtekst. In 2008 zullen de Europese leiders werken aan de ratificering van dat verdrag. Deze keer zullen ze dit doen middels discrete stemmingen in hun parlementen om (waar mogelijk en zeker begeleid door luidruchtig protest) verdere vervelende referendums te vermijden. Zo kan het nog van kracht worden voor de verkiezing van het Europees parlement in 2009. Voor de buitenlandse politiek versterkt het verdrag de rol van de Hoge Vertegenwoordiger. Bovendien creëert het de nieuwe functie van EU-voorzitter, die verkozen zal worden door de nationale regeringen om hen in het buitenland te vertegenwoordigen en de EU-toppen voor te zitten. In het komende jaar zullen rond die twee functies intense manoeuvres plaatsvinden. De invloed van het nieuwe verdrag op het buitenlands beleid zal minimaal blijken te zijn, alvast aanvankelijk. Meer mensen zullen willen nagaan of er zich in het buitenlandse beleid een dynamiek ontwikkelt rond Frankrijk, Duitsland en Groot-Brittannië, de zwaargewichten van de Unie. Sarkozy trad aan met de belofte dat er minder 'frustratie' zou komen over de macht van Amerika en tijdens de eerste paar maanden zette hij enkele nieuwe lijnen uit over zaken als het nucleaire programma van Iran en de Navo. De Duitse kanselier Angela Merkel is een instinctieve 'atlantica', maar haar grote coalitie van links en rechts zou haar kunnen fnuiken. De Britse eerste minister Gordon Brown blijft voor Brussel een frustrerend mysterie. Sommige hooggeplaatste EU-ambtenaren vrezen dat het Europees buitenlands beleid in 2008 ter plaatse zal blijven trappelen omdat de presidentsverkiezingen in Rusland en de Verenigde Staten het jaar als boekensteunen omringen. Begin 2008 krijgt de EU te maken met een lastige externe crisis in de ex-Joegoslavische provincie Kosovo, die zich opmaakt om eenzijdig de onafhankelijkheid van Servië uit te roepen. Of toch iets dat dicht in de buurt daarvan komt. De EU-regeringen zullen verdeeld zijn over de erkenning van die jonge staat. Sommige landen, zoals Groot-Brittannië en Frankrijk, zullen pro zijn, maar verschillende zuidelijke lidstaten zullen er zich instinctief tegen verzetten. Sommige uit solidariteit met de Serviërs (Griekenland), andere omdat ze hun eigen onhandelbare minderheden hebben en wars zijn van elk wettelijk precedent dat een deel van een soevereine staat toestaat om zich af te scheuren (Spanje en Slovakije). Alsof het behoud van de interne eenheid nog niet moeilijk genoeg is, zal de EU nog eens geklemd worden tussen de Verenigde Staten, dat Kosovo's aanspraak op onafhankelijkheid steunt, en Rusland, dat benadrukt dat Kosovo zich niet kan afscheuren als de Serviërs nee zeggen. Een laatste merkwaardige wending is dat de storm zal opsteken tijdens de wachtronde van Slovenïe, een klein ex-Joegoslavisch land met 2 miljoen inwoners. Slovenië zal vanaf 1 januari 2008 voor zes maanden het voorzitterschap van de EU waarnemen, en krijgt dus de opdracht om een gemeenschappelijke Europese houding uit te dokteren. Slovenië behoort tot een groep van zes ex-communistische landen die in 2004 bij de EU kwamen en was bereid om als eerste nieuwkomer het voorzitterschap waar te nemen. Het kan best zijn dat het nu dat moment van enthousiasme al betreurt. Te midden van al die hoogdravende geopolitiek zal het voor de EU misschien bijna als een verlossing overkomen dat ze zich ook nog zal moeten bezighouden met relletjes over geld. Het komende jaar is voorbehouden aan een formeel debat over de hervorming van de Europese begroting, die op dit ogenblik meer dan 100 miljard euro per jaar bedraagt. In de uitgebreide EU zullen de oudere, rijkere leden van de club in de toekomst moeten aankijken tegen een grotere bijdrage of een slinkend aandeel van de pot. De indruk dat er wel degelijk verandering in de lucht zit, wordt versterkt door Sarkozy, die al een signaal uitzond dat Frankrijk nu bereid is om gesprekken te beginnen over een grondige hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Het GLB werd in de loop van de jaren weliswaar aanzienlijk verbeterd, maar het bevat nog altijd een resem marktverstorende absurditeiten (en het komt Frankrijk meer ten goede dan om het even welke andere lidstaat). De hervormers in Brussel beschouwen de recente stijging van de wereldvoedselprijzen als een gelegenheid om de initiatieven te versnellen die moeten leiden naar een systeem dat meer gebaseerd is op vraag en aanbod. Frankrijk neemt het voorzitterschap over tijdens de tweede helft van 2008 en Sarkozy heeft beloofd dat hij dan wil praten over een ernstige hervorming van het GLB. Iets minder geruststellend is dat hij intussen een oproep gedaan heeft om - overigens slecht gedefinieerde - belemmeringen in te voeren op geïmporteerde landbouwproducten die niet geteeld werden volgens de hoge (en dure) Europese milieu- en veiligheidsnormen. Een tweede bestedingsrel draait rond de beloften van de EU om de klimaatverandering aan te pakken. Die beloften, gedaan op een top in de lente van 2007, moeten volgend jaar vertaald worden naar nationale doelstellingen (waarbij de verschillende landen een verschillend aandeel van de last zullen dragen). Volgens de overeenkomst moeten de Europese broeikasgassen tegen 2020 met minstens 20 % teruggedrongen worden ten opzichte van het niveau van 1990. Tegen diezelfde datum wil men 20 % van de Europese energiebehoeften dekken door hernieuwbare bronnen zoals wind, water en zonne-energie. Eveneens tegen 2020 moeten planten zorgen voor 10 % van de transportbrandstoffen, voor zover dat dergelijke biobrandstoffen ecologisch duurzaam zijn. Dat voorbehoud zal heel wat aandacht krijgen omdat er vragen rijzen over het groene karakter van die biobrandstoffen. Omdat de energiebelangen in de EU zo verscheiden zijn, mogen we ons aan veel gemarchandeer verwachten. De nieuwe lidstaten zullen niet gemakkelijk de kans om economisch te groeien uit handen geven, ondanks de koolstofvoetafdruk. In Oostenrijk en Letland wordt meer dan 60 % van de elektriciteit opgewekt met hernieuwbare energie (er zijn daar heel wat rivieren en dammen); in Cyprus bedraagt dat aandeel 0,1 %. Het is niet zonder belang dat de emissieniveaus van 1990 als basis genomen worden: dat is namelijk een slechte zaak voor de ex-communistische landen, waar de fabrieken nauwelijks draaiden tijdens dat turbulente jaar. Poolse functionarissen hebben opgemerkt dat hun land heel wat wouden telt die de uitstoot van koolstof opslorpen. Frankrijk houdt dan weer van atoomkracht, die geen broeikasgassen voortbrengt, maar ook niet tot de hernieuwbare bronnen gerekend wordt. Wie uiteindelijk de factuur zal betalen voor de dure groene beloften van Europa is een van de vele twistpunten die we in 2008 in het oog moeten houden. DE AUTEUR IS BUREAUCHEF BRUSSEL VAN THE ECONOMIST. Door David Rennie/Illustratie: Pieter De Poortere