Dividenden zijn belastbaar in hoofde van de vennootschap die ze uitkeert. Als zij ook nog eens belast worden bij de vennootschap die ze ontvangt, ontstaat er dubbele belasting. Weliswaar niet in de juridische, maar wel in de economische betekenis van het woord.
...

Dividenden zijn belastbaar in hoofde van de vennootschap die ze uitkeert. Als zij ook nog eens belast worden bij de vennootschap die ze ontvangt, ontstaat er dubbele belasting. Weliswaar niet in de juridische, maar wel in de economische betekenis van het woord. Om deze dubbele belasting te vermijden bestaat in België al jaar en dag het stelsel van de 'definitief belaste inkomsten' (DBI). Het geeft de vennootschap die de dividenden ontvangt, het recht de ontvangen dividenden (onder bepaalde voorwaarden) als 'DBI' af te trekken van haar fiscaal resultaat. Europa. Het verbod op economische dubbele belasting van dividenden is op Europees niveau bevestigd. Dit gebeurde begin de jaren negentig in de Europese 'moeder-dochter'richtlijn. Krachtens deze richtlijn mag de lidstaat waar de moedervennootschap gevestigd is, de dividenden die de 'moeder' van haar dochtervennootschap in een andere lidstaat ontvangt, geen tweede keer belasten. De richtlijn laat de lidstaten de keuze tussen twee manieren om dit doel te bereiken. Ofwel verleent zij een volledige vrijstelling, ofwel staat zij een belastingkrediet toe. België koos voor de volledige vrijstelling. Ons land ging ervan uit dat het voormelde 'DBI'-stelsel zonder meer volstond om aan het voorschrift van de richtlijn te voldoen. Van meet af aan is er voor gewaarschuwd dat dit niet het geval was. Maar de regering legde die kritiek gewoon naast zich neer. Waarschijnlijk ten onrechte, zo blijkt nu. Van langsom meer vennootschappen hebben zich inmiddels gerealiseerd dat zij naar alle waarschijnlijkheid meer belasting betalen dan krachtens de Europese richtlijn hoeft. Het probleem is dat het Belgische DBI-stelsel de vrijstelling van ontvangen dividenden in een aantal gevallen slechts gedeeltelijk, of zelfs helemaal niet garandeert. Neem bijvoorbeeld een vennootschap die een exploitatieverlies boekt van 100. Dit verlies zal overdraagbaar zijn naar de volgende boekjaren en zal afgetrokken kunnen worden van toekomstige winsten. Stel dat een andere vennootschap in het jaar waarin zij een exploitatieverlies van 100 boekt, ook 100 dividenden ontvangt. Het verlies zal dan gecompenseerd worden met de ontvangen dividenden. Het fiscaal resultaat zal gelijk zijn aan 0. Kan deze vennootschap de ontvangen dividenden in aftrek brengen? Helemaal niet, want er is geen fiscaal resultaat meer. De Belgische regeling laat de DBI-aftrek maar toe, als en in de mate dat er een positief fiscaal resultaat voorhanden is. In het voorbeeld is dat er niet. Maar tegelijk is er ook geen overdraagbaar verlies meer. Het verlies van het boekjaar is al gecompenseerd met de ontvangen dividenden. De dividenden hebben het verdwijnen van het overdraagbaar verlies tot gevolg. De vennootschap zal in de toekomst bijgevolg meer belasting betalen, want toekomstige winsten zullen niet gecompenseerd kunnen worden met overdraagbare verliezen. Uiteindelijk wil dit zeggen dat de dividenden onrechtstreeks worden belast (in de vorm van een vermindering, of in het voorbeeld zelfs het verdwijnen van het overdraagbaar verlies). De belastingvrijstelling waartoe de Europese 'moeder-dochter'richtlijn verplicht, gaat op deze manier volledig de mist in. Bezwaar. Verschillende vennootschappen hebben daarom bezwaar aangetekend tegen de manier waarop de Belgische fiscus de vrijstelling van de 'moeder-dochter'richtlijn toepast. Met wisselend succes. Sommige rechtbanken hebben gevonden dat er helemaal niets aan de hand is. Maar een stijgend aantal rechtbanken heeft wel oor voor de kritiek. Zij beslisten dat het gedeelte van de dividenden dat voor de Europese vrijstelling in aanmerking komt, maar niet effectief kan worden vrijgesteld, overgedragen moet kunnen worden naar volgende aanslagjaren. Net zoals dit met overdraagbare verliezen het geval is. De discussie die tot nog toe voor de rechtbanken van eerste aanleg gevoerd werd, heeft zich inmiddels verplaatst naar de hoven van beroep. Een tijdje geleden besliste het Hof van Beroep in Antwerpen al om het Europese Hof van Justitie over deze aangelegenheid te ondervragen. En onlangs heeft het Hof van Beroep in Brussel hetzelfde gedaan. Interessant om weten: het Brusselse Hof vraagt aan het hoogste Europese rechtscollege niet enkel zich uit te spreken over de situatie waarin dividenden uitgekeerd worden tussen twee vennootschappen die in verschillende lidstaten gevestigd zijn, maar ook over het geval waarin de beide vennootschappen in België gevestigd zijn, en ook over het geval waarin de dochtervennootschap buiten de Europese Unie gevestigd is. Voorbehoud. Vennootschappen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden kan enkel aangeraden worden, in of bij hun aangifte in de vennootschapsbelasting een voorbehoud te formuleren voor de juiste toepassing van de DBI-aftrek, in het licht van de Europese 'moeder-dochter'richtlijn. Zo houden zij hun kansen volledig gaaf in afwachting van de uitspraak van het Europese Hof. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck