De auteur is financieel-economisch correspondent voor The Economist.
...

De auteur is financieel-economisch correspondent voor The Economist.In 2004 zullen regeringen en bedrijven de harde realiteit van de pensioenen in een ouder wordende wereld onder ogen moeten zien. De politici zullen ernaar streven om de financiële houdbaarheid te herstellen van de pay-as-you-go-overheidsstelsels ( PAYG), waarbij werknemersbijdragen aangewend worden om de pensioenuitkeringen te financieren. Bedrijven zullen de inspanningen intensifiëren om weg te raken van riskante regelingen met vaste uitkeringen, die pensioenen bieden die gebonden zijn aan het eindsalaris en het aantal dienstjaren. Individuen zullen een groter deel van de pensioenlast moeten dragen via stelsels met een vaste bijdrage, waardoor ze hun eigen pensioenspaarpot opbouwen. De demografische ontwikkeling in Japan en Europa is bijzonder onrustwekkend. De verhoogde levensverwachting en het lage geboortecijfer doen de ouderenafhankelijkheidsratio (het aantal pensioengerechtigden in verhouding tot de totale groep van 15- tot 64-jarigen) in de EU toenemen van één op vier vandaag naar één op twee tegen 2050. Er zijn slechts vier manieren om te ontsnappen aan de meedogenloze wiskundige regels van de PAYG-stelsels: de bijdragen van de werknemers verhogen, snoeien in de pensioenuitkeringen, de werkgelegenheid onder de 20- tot 64-jarigen aanmoedigen en de pensioenleeftijd optrekken. De eerste uitweg, de verhoging van de werknemersbijdragen, is afgesloten. Politici zien in dat de bijdragepercentages al te hoog liggen. In Japan richt men zich stilaan op de tweede uitweg: toekomstige pensioenuitkeringen zullen beknot worden via een automatisch mechanisme dat rekening houdt met het dalend aantal werknemers. Europa zal vooral via de derde en vierde uitweg trachten te ontsnappen: de activiteitsgraad optrekken en de pensioenleeftijd verhogen. Slechts 64 % van de actieve bevolking is er aan de slag, tegenover 72 % in Amerika en 68 % in Japan. De kloof wordt nog dieper voor de leeftijdscategorie van 55 tot 64 jaar, waar de tewerkstellingsgraad van 41 % in de EU in schril contrast staat met de 60 % in de VS en 62 % in Japan. Europa krijgt het moeilijk om zijn activiteitsdoelstelling van 70 % onder de 20- tot 64-jarigen en van 50 % onder de oudere werknemers tegen 2010 te halen. Dat verklaart met- een waarom Europese politici zullen grijpen naar de vierde strategie, het optrekken van de pensioenleeftijd. De Franse pensioenhervorming in 2003 was erop gericht de pensioengerechtigde leeftijd later te laten vallen door de bijdrage- periode te verlengen. In Duitsland beval een commissie het optrekken van de pensioenleeftijd van 65 naar 67 jaar aan. In 2004 zullen een aantal nationale overheden ook opnieuw een blik werpen op de baanbrekende pensioenhervorming in Zweden. Dat systeem bootst de werking na van een stelsel dat gefinancierd wordt met vaste bijdragen: individuen leggen met hun bijdragen abstracte rekeningen aan. Wanneer die rekeningen omgezet worden in annuïteiten, wordt rekening gehouden met de stijging van de levensverwachting, wat het individu ertoe moet brengen langer te werken als hij van een voorspoedig pensioen wil genieten. Een verdere verschuiving in de richting van vaste bijdragen is ook de aangewezen weg voor de gehavende bedrijfspensioenplannen in de VS en Groot-Brittannië. De crisis legde de risico's bloot van het aanbieden van stelsels die gebaseerd zijn op het laatst uitbetaalde loon. Pensioenstelsels met vaste bijdragen vormen een duidelijke aansporing om te sparen voor het pensioen, terwijl men werkt en om te blijven werken als het appeltje voor de dorst niet groot genoeg blijkt. Paul Wallace