In 1930, toen de wereld "leed onder... een zware aanval van economisch pessimisme", schreef John Maynard Keynes een ondubbelzinnig optimistisch essay waarin hij een beeld ophing van een middenweg tussen revolutie en stagnatie, die de kleinkinderen een pak rijker zou maken dan hun grootouders. Die weg was niet zonder gevaren. Eén bron van zorgen, gaf Keynes toe, was een 'nieuwe ziekte': "technologische werkloosheid ten gevolge van het feit dat de middelen die wij vinden om te besparen op het gebruik van arbeid, sneller doorgang vinden dan de nieuwe aanwendingen die we voor de arbeid kunnen vinden." Misschien hadden zijn lezers nog niet van dat probleem gehoord, veronderstelde hij, maar het was zeker dat ze er in de komende jaren veel meer mee te maken zouden krijgen.
...

In 1930, toen de wereld "leed onder... een zware aanval van economisch pessimisme", schreef John Maynard Keynes een ondubbelzinnig optimistisch essay waarin hij een beeld ophing van een middenweg tussen revolutie en stagnatie, die de kleinkinderen een pak rijker zou maken dan hun grootouders. Die weg was niet zonder gevaren. Eén bron van zorgen, gaf Keynes toe, was een 'nieuwe ziekte': "technologische werkloosheid ten gevolge van het feit dat de middelen die wij vinden om te besparen op het gebruik van arbeid, sneller doorgang vinden dan de nieuwe aanwendingen die we voor de arbeid kunnen vinden." Misschien hadden zijn lezers nog niet van dat probleem gehoord, veronderstelde hij, maar het was zeker dat ze er in de komende jaren veel meer mee te maken zouden krijgen. Tegenwoordig wuiven de meeste economen dergelijke bekommernissen weg. Omdat ze de productiviteit verhoogt, leidt om het even welke automatisering die arbeid uitspaart tot hogere inkomens, voeren ze aan. Dat stimuleert de vraag naar nieuwe producten en diensten en dat creëert dan weer nieuwe jobs voor werknemers die hun baan kwijt raakten. De geschiedenis lijkt hun gelijk te geven. Van het begin van onze tijdrekening tot 1570 is het reële inkomen in Groot-Brittannië bijvoorbeeld nauwelijks verdubbeld. Tussen 1570 en 1875 verdrievoudigde het en van 1875 tot 1975 is het nog eens ruim verdrievoudigd. De industrialisering leidde er niet toe dat de behoefte aan menselijke arbeid verdween. Integendeel, ze schiep voldoende jobkansen om de bevolkingsexplosie in de twintigste eeuw op te slorpen. Keynes' visie, dat iedereen in de jaren dertig een stuk rijker zou zijn, werd grotendeels bewaarheid. Sommigen vrezen nu dat een nieuw tijdperk van automatisering, dat mogelijk gemaakt wordt door almaar krachtiger en bekwamer computers, anders kan uitdraaien. Ze vertrekken van de waarneming dat de lonen van de doorsneewerknemers, gecorrigeerd voor de levensduurte, in de rijke landen stagneren. In de Verenigde Staten bewoog het reële loon in de voorbije vier decennia nauwelijks. Zelfs in landen als Groot-Brittannië en Duitsland, waar de werkgelegenheid nieuwe hoogten bereikt, zijn de lonen al tien jaar stabiel. Recent onderzoek lijkt uit te wijzen dat dat komt omdat de automatisering de vervanging van arbeiders door machines almaar aantrekkelijker maakt. Het gevolg is dat de eigenaars van kapitaal (machines) sinds de jaren tachtig steeds meer van het wereldinkomen ingepalmd hebben, terwijl het aandeel dat naar arbeid ging, geslonken is. Sommige rijke landen kampen al met een langetermijntrend naar lagere tewerkstellingsniveaus. In een recente speech had de voormalige Amerikaanse minister van Financiën, Larry Summers, het over de werkgelegenheidstrends voor Amerikaanse mannen van 25 tot 54 jaar. In de jaren zestig was slechts een op de twintig werkloos. Volgens Summers' extrapolaties kan dat over tien jaar één op de zeven worden. In een paper uit 2013 voeren Carl Benedikt Frey en Michael Osborne van de universiteit van Oxford aan dat in 47 procent van de beroepscategorieën een groot gevaar op automatisering bestaat. Ze hebben het onder meer over accountancy, juridisch werk, technische tekstverwerking en een heleboel andere witteboordenbanen. Een nieuwe golf van technologische vooruitgang kan de automatisering van de hersenarbeid spectaculair versnellen. Het soort vooruitgang die mensen toelaat in hun jaszak een computer mee te dragen die krachtiger is dan om het even welk apparaat van twintig jaar geleden en die bovendien over betere software beschikt en vlotter toegang geeft tot nuttige gegevens, andere mensen en machines, heeft implicaties voor allerlei soorten werk. In hun boek The Second Machine Age maken de MIT-professoren Erik Brynjolfsson en Andrew McAfee zich sterk dat de razendsnelle technologische vooruitgang een periode van economische groei en ontwrichting inluidt. Net als het eerste grote tijdperk van industrialisering, voeren zij aan, moet de vooruitgang enorme voordelen opleveren, maar niet zonder dat we eerst door een ongemakkelijke en desoriënterende periode van verandering moeten (zie Een langzame overgang). Een van de belangrijkste knelpunten bij innovatie, argumenteren Brynjolfsson en McAfee, is dat de maatschappij tijd nodig heeft om de impact van de nieuwe technologieën en bijbehorende businessmodellen te absorberen. De voortekenen van dat 'machinetijdperk' zijn er al. De zelfrijdende wagen van Google en de superslimme IBM-computer Watson, die mensen versloeg in de populaire Amerikaanse kennisquiz Jeopardy, zijn maar enkele voorbeelden. De combinatie van big data en slimme machines zal sommige beroepen helemaal overnemen, voor andere zal het de ondernemingen toelaten meer te doen met minder arbeidskrachten. Text-miningprogramma's maken professionele bezigheden in de juridische sector overbodig. Beeldverwerkingssoftware kan biopsieën efficiënter analyseren dan labotechnici. En als de belastingsoftware nog verbetert, kunnen accountants zich bij de reisagenten en kasbedienden voegen in de rij van werklozen. Dat ze nu ook hersenarbeid kunnen doen, weerhoudt de computers er niet van om ook almaar meer werk te verrichten dat vroeger manueel werd uitgevoerd. Ze zullen daarin gewoon beter worden. De ontwerpers van de jongste generatie van industriële robots hebben het over hun creaties als 'helpers' in plaats van vervangers van arbeiders, maar het lijdt weinig twijfel dat de technologie beide zal doen. Alle jobs zullen evenwel niet verdwijnen. Volgens Frey en Osborne zullen vooral jobs voor een hoge opleidingsgraad en hoge lonen blijven bestaan. Het potentieel voor ingrijpende veranderingen is overduidelijk. Een toekomst met wijdverspreide technologische werkloosheid voor minder hoog geschoolden is voor velen moeilijker te aanvaarden. De productiviteitswinst uit toekomstige automatisering zal reëel zijn, ook al komt die grotendeels ten goede aan de eigenaars van de machines. Een deel daarvan zullen ze besteden aan goederen en diensten, en het grootste deel van de rest zal worden geïnvesteerd in firma's die zich willen uitbreiden en vermoedelijk meer arbeidskrachten willen aanwerven. Elke grote periode van vernieuwing heeft haar eigen onheilsprofeten over de arbeidsmarkt gekend, maar de technologische vooruitgang heeft nog nooit gefaald om op de lange termijn nieuwe werkgelegenheidskansen te genereren. Eer het zover is, kan de ongelijkheid toenemen. Tyler Cowen, een econoom aan de George Mason University en een veelgelezen blogger, schrijft in zijn recentste boek Average is Over, dat in rijke economieën een kleine groep van arbeidskrachten zich lijkt af te splitsen, die beschikken over vaardigheden die uiterst complementair zijn aan de intelligentie van machines. Voor hen ziet hij een mooie toekomst, voor de rest niet. De huidige luwte op loongebied kan evenwel, zoals in de vroege industriële tijd, een tijdelijke zaak zijn en wellicht staat de goede tijd nu voor de deur (zie grafiek). Technologische vooruitgang weegt op korte termijn op sommige inkomens, voor hij iedereen rijker maakt op de lange termijn. Maar ook al ziet het er op lange termijn rooskleurig uit en is er uitzicht op grotere rijkdom en heel wat nieuwe jobs, de beleidsmakers mogen niet op hun lauweren rusten. De succesvolle aanpassing van de maatschappij aan golven van vooruitgang in de negentiende en twintigste eeuw was afhankelijk van de reactie van de politiek. Als we willen dat zo veel mogelijk mensen aan de slag kunnen blijven, zullen inspanningen nodig zijn. Zeer belangrijk in het verleden waren de omvangrijke verbeteringen van het onderwijsniveau van de werknemers, eerst door de invoering van het veralgemeend secundair onderwijs en vervolgens door de toename van het aantal mensen dat universitaire studies kon doen. Maar nu nog een soortgelijke vooruitgang boeken, wordt niet gemakkelijk. Om de bekwaamheid en het inkomensvermogen van de negentiende-eeuwse landbouwers en arbeiders te bevorderen, was niet veel meer nodig dan scholen waar ze konden leren lezen, schrijven en rekenen. Zo veel mogelijk burgers ertoe brengen een universiteitsdiploma te halen, is al heel wat moeilijker en duurder. Een ander belangrijk verschil met vroeger is dat er nu zoiets als sociale zekerheid bestaat. De reden dat veel landbouwers in de negentiende eeuw in de fabrieken gingen werken was dat het enige alternatief een leven van ondervoeding en ontbering was. De mensen in de ontwikkelde wereld kunnen genieten van werklozensteun, vergoedingen voor arbeidsongeschiktheid en andere vormen van sociale zekerheid. Het is ook waarschijnlijker dat zij over spaargeld beschikken. Dat betekent dat het laagst aanvaardbare loon -- waarvoor iemand bereid is werk te aanvaarden -- nu op een historisch hoog peil staat. Als de overheid weigert de werkloosheidsuitkeringen te ver beneden de gemiddelde levensstandaard te laten zakken, dan zal dat laagst aanvaardbare loon gestaag blijven stijgen en zullen steeds meer arbeidskrachten werken onaantrekkelijk vinden. En hoe hoger het stijgt, hoe groter de aansporing om te investeren in kapitaal dat arbeid vervangt. Iedereen zou moeten kunnen genieten van de productiviteitswinst, daarover waren Keynes en zijn opvolgers het eens. Zijn bezorgdheid over technologische werkloosheid richtte zich vooral op een "tijdelijke fase van onevenwicht" waarin de maatschappij en de economie zich aanpassen aan de toenemende productiviteitsniveaus. En dat blijkt geen onredelijke gedachte. Toch kan de maatschappij zwaar op de proef gesteld worden als de opbrengsten van groei en innovatie enkel gaan naar wie ervaren en geschoold is, terwijl de rest zich vastklampt aan wegkwijnende werkgelegenheidskansen tegen stagnerende lonen. THE ECONOMISTDe vooruitgang zal enorme voordelen opleveren, maar niet zonder dat we eerst door een ongemakkelijke en desoriënterende periode van verandering moeten.