Ook in de energiesector bepalen de vraag en het aanbod de prijs. Belangrijk blijft dat de wereldwijde energievraag tegen 2020 met 15 à 20 % zal groeien, en dat die groei bijna uitsluitend komt van de opkomende landen. Daarna neemt het groeiritme af, maar bij Royal Dutch Shell bijvoorbeeld gaan ze ervan uit dat in de eerste helft van deze eeuw de energievraag zal verdubbelen.
...

Ook in de energiesector bepalen de vraag en het aanbod de prijs. Belangrijk blijft dat de wereldwijde energievraag tegen 2020 met 15 à 20 % zal groeien, en dat die groei bijna uitsluitend komt van de opkomende landen. Daarna neemt het groeiritme af, maar bij Royal Dutch Shell bijvoorbeeld gaan ze ervan uit dat in de eerste helft van deze eeuw de energievraag zal verdubbelen. Enkele jaren geleden heerste ongerustheid over de mogelijkheid om aan die sterke stijging van de energiebehoeften te kunnen voldoen. Die bezorgdheid is er vandaag veel minder groot. Dat heeft te maken met een gezonde groei van de aanbodzijde. Er is natuurlijk de ontwikkeling van schaliegas en -olie, maar reden tot euforie - lees: het fors verminderen van de investeringen - is er nog niet. Zo blijft het op peil houden van de oliereserves een hachelijke en dure zaak. Door de zware investeringen in exploratie is de reserveratio wereldwijd weliswaar opgelopen van 78 % in 2006 tot 97 % vorig jaar, maar het cijfer blijft onder 100 %. Er wordt dus jaarlijks wereldwijd nog altijd meer geproduceerd dan dat de reserves worden aangevuld. Succesvolle boorresultaten zijn minder frequent, de omvang van de nieuwe velden is beperkter en de productiedaling van bestaande velden blijft op 4 à 5 % per jaar van de totale productie. Maar de zaken zijn een stuk beter onder controle in de olie- en gasindustrie dan een aantal jaren geleden. Door de tragere groei van de opkomende landen stijgt de vraag minder sterk dan verwacht, terwijl de aanbodzijde ten gunste is geëvolueerd. Maar de prijzen blijven wel relatief hoog (100 USD per barrel) vanwege de aanhoudend hoge exploratie- en productiekosten, en omdat de begrotingen in de landen van het Midden-Oosten erop zijn berekend. Bovendien is er de druk van de aandeelhouders van de grote energiemultinationals om meer aandeelhouderswaarde te genereren. Vooral de Europese energiebedrijven zijn de jongste jaren kieskeuriger geworden in het uitvoeren van investeringen. Daardoor is onder de oliedienstenbedrijven meer concurrentie ontstaan om orders binnen te halen. Dat betekent dat ze marge moeten inleveren. Dat heeft tot zware aderlatingen in de koersen van de Europese oliedienstenspelers geleid. Zo pikten we er begin dit jaar (zie IB4B) Technip uit. De koers had kort voordien een serieuze knauw gekregen, na tegenvallende margevooruitzichten voor 2014. We hebben het aandeel weliswaar nadrukkelijk aanbevolen en opgenomen in de Inside Selectie, maar vinden het toch bijzonder spijtig dat we het aandeel niet in de voorbeeldportefeuille hebben opgenomen. Want in drie maanden tijd is het aandeel met ruim 25 % gestegen. We gaan voor een herkansing met het eveneens Franse CGG (zie Flash, p. 7), waarvan de koers vandaag minder dan de helft is van begin 2013 en zich op het niveau eind 2009 bevindt. Overdreven afgestraft, volgens ons. CGG WERD OVERDREVEN AFGESTRAFT.