De Verenigde Staten en hun bondgenoten willen hun troepen terugtrekken uit Afghanistan, maar weten niet goed hoe. Een groot succes voor hun antioproerstrategie zit er niet in, toch geen dat voldoende is om hen toe te laten de troepenmacht van 130.000 soldaten substantieel af te bouwen.
...

De Verenigde Staten en hun bondgenoten willen hun troepen terugtrekken uit Afghanistan, maar weten niet goed hoe. Een groot succes voor hun antioproerstrategie zit er niet in, toch geen dat voldoende is om hen toe te laten de troepenmacht van 130.000 soldaten substantieel af te bouwen. De Amerikaanse bevelhebber, generaal David Petraeus, neemt wellicht genoegen met bijna elke vooruitgang. De 30.000 man Amerikaanse versterking van 2010 in het zuiden van Afghanistan, dat grotendeels beheerst wordt door de taliban, leidde niet tot de verhoopte breuk in de opstand. Toen ze Kandahar bereikten, besteedden de Amerikaanse generaals er meer tijd aan om de verwachtingen terug te schroeven dan dat ze het succes ervan probeerden aan te tonen. Door te benadrukken dat elke vooruitgang geleidelijk zal zijn, hoopt Petraeus tijd te winnen voor zijn opdracht bij Barack Obama. De Amerikaanse president ligt dwars omdat hij in juli 2011 troepen wil beginnen terug te trekken. Zelfs als Obama bij gebrek aan een valabel alternatief toch verplicht wordt om het wat langer uit te houden, betekent dat nog niet dat Petraeus de bijkomende versterking krijgt waar hij om vraagt. Het is niet allemaal slecht nieuws. In sommige delen van het zuiden hebben de Amerikaanse troepen wat meer veiligheid gebracht. De Amerikanen konden ook heel wat talibanleiders uitschakelen en de NAVO-manschappen maken minder burgerslachtoffers. Er worden nu meer Afghanen gedood door bermbommen die door de taliban geplaatst zijn dan door luchtaanvallen van de NAVO. Het NAVO-contingent zet die veelbelovende inspanningen voort, maar dat neemt niet weg dat het weer een verschrikkelijk jaar wordt voor de gewone Afghanen, van wie er in de eerste helft van het jaar 1300 gedood werden, 31 procent meer dan tijdens dezelfde periode een jaar eerder. President Hamid Karzai blijft een grotendeels inefficiënte leider die zijn bondgenoten wantrouwt en zich schijnbaar niets aantrekt van de ontzettende corruptie in Afghanistan. Pakistan, dat in 2010 verschrikkelijk te lijden had van overstromingen, heeft in 2011 enorm veel hulp nodig van westerse donors om meer dan 6 miljoen behoeftige mensen te voeden. Dat is niet voldoende om de Pakistaanse generaals ervan te overtuigen om diezelfde westerse bondgenoten in Afghanistan te steunen door de taliban te verdrijven uit hun noordwestelijk grensgebied. Want helaas beschouwen ze die opstandelingen als onschadelijk of misschien zelfs nuttig. Het is onwaarschijnlijk dat de taliban tot een vergelijk komen met Karzai, zelfs al zou die aanbieden om te onderhandelen. Om dat toch aan te moedigen, verwijzen de Amerikaanse en Europese functionarissen met iets meer respect naar de taliban als wrokkige Pashtun-nationalisten. In feite is over hen weinig geweten en als de gevechten met de verwachte wreedheid voortgaan komt er in 2011 niet veel meer aan het licht. De auteur is correspondent voor Zuid-Azië van The Economist.JAMES ASTILL