In 1982 plaatste ik samen met Seymour Papert, een collega-professor aan MIT, Apple II's in basisscholen net buiten Dakar. Dat programma in Senegal heeft aangetoond dat kinderen in afgelegen, rurale en arme streken de computer erg gemakkelijk onder de knie krijgen. Vier jaar later lanceerden we een soortgelijk project op een iets grotere schaal in Costa Rica, dat uitgroeide tot een model voor wat bereikt kan worden met de juiste mix van computers en onderwijs. Het is geen toeval dat geïntegreerde schakelingen tegenwoordig de helft van de export van Costa Rica uitmaken, veel meer dan alle bananen en koffie samen.
...

In 1982 plaatste ik samen met Seymour Papert, een collega-professor aan MIT, Apple II's in basisscholen net buiten Dakar. Dat programma in Senegal heeft aangetoond dat kinderen in afgelegen, rurale en arme streken de computer erg gemakkelijk onder de knie krijgen. Vier jaar later lanceerden we een soortgelijk project op een iets grotere schaal in Costa Rica, dat uitgroeide tot een model voor wat bereikt kan worden met de juiste mix van computers en onderwijs. Het is geen toeval dat geïntegreerde schakelingen tegenwoordig de helft van de export van Costa Rica uitmaken, veel meer dan alle bananen en koffie samen. Een decennium later bouwden mijn familie en ik lagere scholen in twee Cambodjaanse dorpen die zo arm zijn en zo afgelegen, dat ze geen elektriciteit hebben. Onze bedoeling was om te bouwen en weer weg te wezen. In plaats daarvan zetten we een volgende stap door elk schoolkind te voorzien van een stevige computer met een efficiënt vermogen en WiFi-connectiviteit. 's Avonds namen ze de laptops mee naar huis, waar de kinderen en hun families de toestellen voor alles en nog wat gebruikten (van het opvolgen van de resultaten van hun favoriete internationale voetbalclub tot de noteringen op de rijstmarkt), terwijl ze tegelijk de krachtigste lichtbron in het huis vormden. Het eerste Engelse woord dat de kinderen leerden was Google. De koppeling aan het internet wordt op verschillende manieren gerealiseerd, onder meer via WiFi, WiMax, 3G en over de satelliet, evenals via glasvezelkabels, coaxiale en gewone ouderwetse telefoonkabels. Concurrentie, deregulering en het feit dat de derde wereld op dit ogenblik de enige nieuwe telecommarkt vormt, zal leiden naar een groter bereik, meer bandbreedte en lagere aansluitingskosten. Wat verder nog nodig is, is een laptop van 100 dollar, een duurzaam en flexibel toestel voor een prijs die de ontwikkelingslanden zich kunnen permitteren. Maar de bonzen van de computerindustrie hebben ons verteld dat een laptop van 100 dollar gewoon niet kan gebouwd worden. We zijn het op dat punt niet eens. Daarom heeft MIT een non-profitorganisatie in het leven geroepen onder de naam One Laptop Per Child (OLPC) om laptops te ontwerpen, bouwen en verdelen die tegen kostprijs bezorgd zullen worden aan regeringen en uitgedeeld aan kinderen door scholen volgens het principe 'één laptop per kind'. Dit is hoe we dat zullen verwezenlijken. Om te beginnen, wordt al de helft van de aankoopprijs van een moderne laptop opgeslorpt door de verkoop-, marketing- en distributiekosten en de winstmarge. OLPC heeft al die kosten niet. Ons toestel zal niet verkrijgbaar zijn in de winkelketens, al zullen we, om te vermijden dat er een parallelle markt ontstaat, de productie toelaten van een commerciële versie, waarbij dan een deel van de winst gebruikt zal worden om de kostprijs van de OLPC-machines verder naar beneden te halen. In de meeste gevallen zal de verspreiding gebeuren via gevestigde distributiekanalen voor schoolboeken. De resterende 50 % van de kostprijs van een laptop kan onderverdeeld worden in twee ruwweg even grote delen: het scherm en de rest. Het scherm vormt zonder enige twijfel de grootste technische uitdaging. Het Media Lab beschikt over middelen om op korte termijn de kosten van een laptopscherm terug te schroeven naar iets van 30 dollar, maar kan ook langetermijnoplossingen uitwerken zoals E Link (dat wij uitgevonden hebben), dat uiteindelijk amper 10 cent per vierkante duim zal kosten voor een kleurenscherm dat in het zonlicht gelezen kan worden en in printermodus een resolutie biedt die hoger ligt dan die van een schoolboek. Het interessante aan die laptopeconomie is het 'al-de-rest'-gedeelte: de processor, het geheugen en de stroomvoorziening. Hedendaagse laptops verbruiken driekwart van hun verwerkingscapaciteit aan het ondersteunen van opgeblazen softwaretoepassingen en het besturingssysteem zelf. Dat doet me denken aan een hangbrugkabel, waarbij als de overspanning een zekere lengte bereikt heeft, het grootste deel van de kracht die nodig is, dient om het gewicht van de kabel zelf te dragen. Software dient ook steeds meer zichzelf, en hij is zwaarlijviger, ingewikkelder en minder betrouwbaar geworden. De oplossing bestaat in een strikt dieet. In het geval van de 100-dollar-laptop komt dat neer op open-sourcesoftware waaraan kinderen van over heel de wereld kunnen participeren. Voor ons is het antwoord dan ook een 'slank' Linux-besturingssysteem. Komt de laptop van 100 dollar er? Ja. Wanneer? Eind 2006. Waar? Om te beginnen zeker in Brazilië, Thailand en Egypte. We hopen ook in China. Maar de markt is wel 'globaal' en dat betekent meer dan een miljard kinderen wereldwijd, voor wie één laptop per kind het doel is. De auteur is voorzitter en medeoprichter van het Massachusetts Institute of Technology Media Lab.Nicholas Negroponte