DE LAATSTE kilometers in een koers zijn vaak een geharrewar om de kopman in een zetel naar de sprint te brengen. Iets vergelijkbaars is aan de gang in de politiek. Spindoctors en strategen proberen het debat te sturen naar het ultieme verkiezingsthema. Lag aanvankelijk het onderwijs nog in poleposition, dan is sinds enkele dagen het rekeningrijden een aardige runner-up. Dat is te danken aan een rekenoefening van de Vlaamse administratie over de opbrengsten van een kilometerheffing.

De jongste tien jaar groeide de eensgezindheid over het rekeningrijden als middel om de files te verkleinen, maar nu de electorale koorts stijgt, neemt het verzet toe. Hoe dichter de verkiezingen, hoe harder de partijkopstukken de boodschap de wereld insturen dat rekeningrijden voor de man in de straat geen belastingverhoging mag zijn. Dit weekend probeerde ook Bart De Wever (N-VA) zo'n bocht te maken. Hoewel zijn partijgenoot en Vlaams minister van Mobiliteit Ben Weyts het concept de jongste jaren had verdedigd.

Zelfs al vallen die manoeuvres te begrijpen als electoraal opportunisme, het maakt ze allerminst wenselijk. Er wordt al te lang over het rekeningrijden gekeuveld, terwijl de mobiliteitsknoop elke dag een hypotheek legt op de economische competitiviteit. Bovendien zijn de files slecht voor de luchtkwaliteit, met alle gevolgen voor de volksgezondheid.

De diagnose is al langer bekend. De remedie van het rekeningrijden luidt: de kostprijs van een ritje met de wagen doen stijgen, zodat wie zich verplaatst vaker een alternatief voor de wagen overweegt. Dat is wellicht geen fijne boodschap in een land met lintbebouwing. Het het verklaart waarom politici manieren zoeken om de pil te vergulden. Overigens hangt ook aan alternatieven een prijskaartje. Alleen lijkt niemand te durven toegeven dat we allemaal voor de kosten zullen moeten opdraaien. De remedie uitstellen, verandert daar niets aan.