Naarmate de startdatum van de Europese Monetaire Unie dichterbij komt, stijgt niet enkel de politieke spanning rond het hele project. Ook inzake meer technische en operationele punten scherpt de discussie stilaan maar zeker aan. Zo is er bijvoorbeeld de vraag naar de lichtbakens waar de Europese Centrale Bank zich bij de uitstippeling van haar monetaire politiek gaat op richten. Opteert ze voor een monetaristisch geïnspireerd beleid met alle aandacht toegespitst op de evolutie van de geldh...

Naarmate de startdatum van de Europese Monetaire Unie dichterbij komt, stijgt niet enkel de politieke spanning rond het hele project. Ook inzake meer technische en operationele punten scherpt de discussie stilaan maar zeker aan. Zo is er bijvoorbeeld de vraag naar de lichtbakens waar de Europese Centrale Bank zich bij de uitstippeling van haar monetaire politiek gaat op richten. Opteert ze voor een monetaristisch geïnspireerd beleid met alle aandacht toegespitst op de evolutie van de geldhoeveelheid ? Of wordt het inflatieverloop het richtsnoer bij uitstek ?Een ander technisch onderwerp dat gaandeweg meer en meer aandacht krijgt, betreft de zogenaamde conversiekoersen. Het betreft hier de wisselkoersen zoals die op 1 januari 1999 onherroepelijk zullen worden vastgelegd tussen enerzijds de individuele munten onderling (bijvoorbeeld 1 DM = 20,60 BEF) en anderzijds die munten tegenover de euro (1 euro = 40 BEF = 2,2 gulden enzovoort). Samen met Luigi Spaventa van de universiteit van Rome maakte Paul De Grauwe van de KU Leuven zeer recent een studie rond deze problematiek ( ). De hoofdconclusie van die studie luidt dat de politieke besluitvormers zich inzake de vastlegging van die conversiekoersen wel in een biezonder oncomfortabele positie gemaneuvreerd hebben. Paul De Grauwe : "Het Verdrag van Maastricht voorziet dat de koers van de ECU per 1 januari 1999 bij de start van de EMU niet mag afwijken van de slotkoers van de ECU de dag voordien (31 december 1998). Daarnaast werd op de top van Madrid beslist dat 1 ECU gelijk moet zijn aan 1 euro. Op die manier zit men gevangen in een ijzeren logica. Onvermijdelijk zullen de sluitingskoersen van 31 december 1998 ook als conversiekoersen worden aanvaard."Het ligt voor de hand dat deze patstelling een groot risico inhoudt want eigenlijk wordt hier aan de financiële markten gevraagd om een politieke beslissing te nemen. De kans is dus reëel dat dit, zeker naarmate die 31ste december 1998 nadert, tot toenemende spanningen en volatiliteit op de wisselmarkten zal leiden.Paul De Grauwe ziet een uitweg : in april-mei 1998 kunnen, tegelijk met de beslissingen inzake de toetreding, reeds de bilaterale wisselkoersen tussen de deelnemende landen als definitief vast aangekondigd worden. Maar ook dan blijft er tot het einde van het jaar een periode waarin rond die zogenaamde vaste wisselkoersen speculatie kan ontstaan.( ) De Grauwe & Spaventi, "Setting Conversion Rates for the third stage of the EMU."