Herstructureringen stellen de winsten van morgen veilig. Met dit principe verdedigen commentatoren het feit dat steeds meer bedrijven heel grote winsten maken en toch tientallen arbeiders ontslaan. Dat is een eenzijdig principe.
...

Herstructureringen stellen de winsten van morgen veilig. Met dit principe verdedigen commentatoren het feit dat steeds meer bedrijven heel grote winsten maken en toch tientallen arbeiders ontslaan. Dat is een eenzijdig principe. Goed geleide ondernemingen moeten hun organisatie permanent aanpassen met het oog op de toekomst. Bedrijven als Colruyt of Rabobank veranderen permanent en kunnen dat blijkbaar zonder herstructureringen, dat wekt bewondering. Als je onverwacht moet herstructureren, dan kan dat alleen omdat je de continue aanpassing in het verleden niet kon waarmaken. De redenen voor dit onvermogen kunnen zeer divers zijn. Van incompetentie, via brute pech tot zwarte zwanen die niemand kon zien aankomen. Het kan zijn dat een belangrijke concurrent economisch volkomen irrationeel reageert, het kan grootheidswaanzin zijn, het kunnen berekende risico's zijn die ondanks de berekeningen toch slecht aflopen of het kunnen slecht berekende risico's zijn, zoals in de banksector. Niemand kan alle gevolgen van alle factoren incalculeren. Geen enkel businessmodel kan volledig zijn. Elk ontslag is een nederlaag voor beide partijen. De vraag is dus niet of een bedrijf lijdzaam moet toekijken hoe zijn rendement en dus zijn continuïteit wordt bedreigd. Daarop is het antwoord uiteraard: neen. De vraag is wel: als de dingen niet lopen zoals iedereen het wil, en de continuïteit is niet bedreigd, wie moet dan voor de gevolgen opdraaien? Ik denk dat in die omstandigheden alle stakeholders, in functie van hun draagkracht, de pijn moeten dragen. Er stelt zich op dat moment een probleem van rechtvaardigheid, geen probleem van economische logica. Bij een grote continuïteitscrisis is de volgorde omgekeerd. Primum vivere, deinde philosophari. Als het rendement verdwijnt, is er geen enkele mogelijkheid om de stakeholders nog rechtvaardig te vergoeden. Maar bij vele recente voorbeelden lijkt ons de volgorde toch anders. Eerst een rechtvaardige oplossing voor de pijn en dan met een vernieuwd elan degelijke rendementen zoeken. In welke mate mogen hier de aandeelhouders en het topmanagement niet mee een deel van de rekening betalen? Of moeten deze beide groepen altijd buiten schot blijven? In een shareholdermodel lijkt dat wel zo te zijn. De Amerikaanse bankiers maken dit ten overvloede duidelijk. Bepalen wat economisch rendabel is, is een aangelegenheid van het bestuur en het management. Vastleggen hoe een pijnlijk verlies moet worden verdeeld, is voor overleg tussen de stakeholders. Niet alleen voor de aandeelhouders. Alleen de doelstellingen van de aandeelhouders centraal stellen, is verdedigbaar; vele economen hebben dit al met verve gedaan. Ik verdedig een balans tussen die doelstellingen, een balans die volgens ons uit evenwicht is als een zeer rendabel bedrijf herstructureert omwille van problemen dat het niet zag aankomen. Dan, denk ik, is het woord fairness meer aangewezen dan rendement. En hier komen die hoge bonussen weer kijken. Zelfs Alexander De Croo heeft al geleerd te verwijzen naar de hoge verdiensten van topvoetballers. Maar er is een wereld van verschil tussen een prestatie van een individu dat omwille van unieke talenten zijn prestaties op de meest transparante wijze kan verzilveren en de prestaties van een geheel bedrijf dat geleid wordt door een team, door tientallen topkaders en waarvan de resultaten overduidelijk het gevolg zijn van een collectieve inspanning en waarbij de bijdrage van elk individu afzonderlijk heel moeilijk in te schatten is. In deze column heb ik al herhaalde malen gewaarschuwd dat absurd hoge lonen en bonussen het gevoel van rechtvaardigheid aantasten. Maar dit soort mode is toch doorgebroken en wordt nu nog met hand en tand verdedigd door de staatsbankiers van Wall Street. Zo hebben bedrijfsleiders zelf de deur wagenwijd opengezet voor de terugkeer van de vakbonden. Die hadden de markt van de fairness al jaren verloren aan Amnesty International, Greenpeace en andere ngo's. En nu zijn de vakbonden terug, niet omdat hun ideologie plots de juiste lijkt, maar omdat hun zaak zo geloofwaardig klinkt. En bedrijfsleiders zitten in het hoekje waar de klappen vallen. Ze moeten zelfs persconferenties organiseren om uit te leggen dat ondernemen belangrijk is. Dat het zo ver is moeten komen, is heel erg, want ondernemen is de economische motor van een samenleving. Maar de ondernemers hebben zichzelf wel met alle plezier in dat hoekje laten drummen. Want ook de meest ondernemersgezinde besluitvormer moet beseffen dat een mens niet alleen leeft van economische groei, maar ook van het gevoel rechtvaardig behandeld te worden. DE AUTEUR DOCEERT MANAGEMENT AAN DE VLERICK LEUVEN GENT MANAGEMENT SCHOOL. Marc BuelensDe vakbonden zijn terug omdat hun zaak zo geloofwaardig klinkt.