Hoe zullen we ons het jaar 2005 op fiscaal gebied herinneren? Als het jaar waarin de notionele interest werd ingevoerd?
...

Hoe zullen we ons het jaar 2005 op fiscaal gebied herinneren? Als het jaar waarin de notionele interest werd ingevoerd? De maatregel wordt pas vanaf aanslagjaar 2007 van kracht. Maar nu al bestempelen sommigen hem als het beste wat het Belgische bedrijfsleven kon overkomen. Officieel omdat hij een discriminatie wegwerkt tussen interesten (die fiscaal aftrekbaar zijn) en dividenden (die normaal gezien niet aftrekbaar zijn). Met de notionele interest mag een vennootschap een percentage van het (gecorrigeerde) eigen vermogen aftrekken van haar fiscale resultaat. De maatregel stimuleert op die manier de financiering met risicokapitaal. Maar dat de maatregel bedoeld zou zijn om interesten en dividenden gelijk te behandelen, behoort tot de officiële praatjes voor de vaak. Om het voordeel van de notionele interest te kunnen genieten, is niet eens nodig dat er een dividend wordt uitgekeerd. Oorspronkelijk was het zelfs verboden tot enige uitkering over te gaan. De winst die onder invloed van de maatregel fiscaal zal worden vrijgesteld, moest gedurende meer dan drie jaar in de vennootschap worden behouden. Uitgaande van het idee dat de notionele interest bedoeld is om de financiering met risicokapitaal aan te moedigen, is dat geen onlogische voorwaarde. Autofinanciering heeft er alle baat bij dat de winsten zoveel mogelijk in de vennootschap behouden blijven. Maar nog voor de wet goed en wel was goedgekeurd, luidde het in koor dat de reserveringsplicht een zware domper zou zetten op het succes van de maatregel. De oorzaak? De maatregel is in werkelijkheid niet in de eerste plaats bedoeld als een stimulans voor autofinanciering. Wel als een middel om zoveel mogelijk financieringsvehikels van internationale vennootschapsgroepen naar België te lokken of er te behouden. Als de notionele interest daarvoor moet dienen, werkt de reserveringsplicht contraproductief. Een financieringsvehikel is niet bedoeld om winsten op te potten, wel om ze door te schuiven. Het probleem is inmiddels van de baan. Het wetsontwerp inzake het Generatiepact schrapt de reserveringsplicht. De winsten die onder invloed van de notionele interest van vennootschapsbelasting worden vrijgesteld, mogen onmiddellijk worden uitgekeerd. Decumul. 2005 zal ook in het fiscale geheugen gegrift blijven als het eerste aanslagjaar waarvoor de inkomsten van echtgenoten volledig afzonderlijk worden belast. De decumulatie was voorheen al een feit voor de beroepsinkomsten. Maar voortaan worden ook de andere inkomsten (onroerende...) per echtgenoot belast. Dit heeft onder meer tot gevolg dat de belastingvrijstelling van de eerste schijf van 1550 euro interesten van een gewoon spaarboekje niet langer per gezin wordt toegepast, maar wel per echtgenoot. Een echtpaar heeft zodoende twee keer recht op de fiscale vrijstelling. Maar het principe van de volledige decumulatie wordt niet consequent voor alle belastingplichtigen toegepast. Werklozen vallen uit de boot. Bij hen wordt de belastingvermindering voor vervangingsinkomsten nog altijd gecumuleerd toegepast. Hetzelfde zou in principe het geval zijn voor wie vanaf 1 januari 2004 met brugpensioen is gegaan (de zogenaamde brugpensioenen 'nieuw stelsel'). Maar het vooruitzicht dat nieuwe bruggepensioneerden op deze manier zouden worden gediscrimineerd, zorgt al enkele jaren voor zure oprispingen bij de vakbonden. Die zagen er - niet geheel ten onrechte - een eerste aanval in op het bastion van het brugpensioen. De plooien zijn ook op dit punt gladgestreken. Het wetsontwerp inzake het Generatiepact schrapt voor bedrijven de reserveringsverplichting in het kader van de notionele interest. Tegelijk schrapt het de discriminerende behandeling van nieuwe bruggepensioneerden. Bij hen zal de belastingvermindering nu ook volledig gedecumuleerd worden toegepast. Met volledig terugwerkende kracht. Met ingang van aanslagjaar 2005. Rulings. 2005 mag ook in de fiscale geschiedenisboeken vermeld worden als het jaar waarin het koninkrijk kennismaakte met de nieuwe rulingpraktijk. Sinds begin dit jaar kan de rulingcommissie over ongeveer alles een voorafgaande beslissing afleveren. Of het nu gaat over verrekenprijzen, aftrekbare beroepsuitgaven, fusies, interne privé-meerwaarden enzovoort. De belastingplichtigen en hun adviseurs blijken hun weg naar de rulingcommissie inmiddels gevonden te hebben. Het tempo waarop beslissingen afgeleverd worden, is redelijk indrukwekkend. Bovendien ontpopt de rulingcommissie zich als een orgaan dat op een constructieve wijze meedenkt bij het zoeken naar oplossingen. Daarmee waait een nieuwe wind door het Belgische fiscale landschap. Op dit ogenblik is het te vroeg om de juiste impact te meten. Maar dat het om een belangrijke evolutie gaat, staat nu al vast. De administratieve a-priorirechtspraak zal nooit nog zijn wat ze geweest is. Jan Van Dyck De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck