LUC SOETE
...

LUC SOETEOndanks de omvangrijke begrotingstekorten waar de meeste Europese landen mee geconfronteerd worden, blijven de discussies over de keuze van prioritaire bezuinigingen veelal steken in nationale debatten. Dat levert af en toe merkwaardige discussies op. Neem nu ontwikkelingshulp. Bij ons officieel met 50 miljoen ingekort, maar wellicht stiekem met nog eens 90 miljoen in de zogenaamde overheveling van bevoegdheden van de nationale overheid naar de gemeenschappen en gewesten. Typisch Belgisch, zou je kunnen stellen. Zoals de meeste van onze bezuinigingen: van alles wat, zonder al te veel discussie en misschien merkt straks ook niemand er wat van. In Nederland gaat dat anders. Ontwikkelingshulp is er verheven tot een van de centrale onderwerpen in de begrotingsonderhandelingen tussen de coalitiepartijen en de gedoogpartner. Met debatten in zowat alle kranten, televisiehows en blogs. Alsof de calvinistische publieke opinie warm dient gemaakt te worden voor de rechtvaardiging van nog eens een bijkomende korting van 1 miljard bovenop de 900 miljoen euro bezuinigingen voor ontwikkelingssamenwerking in het oorspronkelijke regeerakkoord. In het conservatieve Verenigd Koninkrijk van David Cameron zien we dan weer precies het tegenovergestelde beleid. Geen bezuinigingen op ontwikkelingshulp, eerder omgekeerd. Voor Andrew Mitchell, de Britse minister voor Ontwikkelingssamenwerking, is steun aan ontwikkelingslanden essentieel voor de Britse welvaart en veiligheid. Ontwikkelingshulp in het directe eigenbelang, als behoeder van de Commonwealth en de internationale reputatie van het VK als oude wereldmacht. Het verwonderlijke, met name in Nederland, is hoe ontwikkelingshulp in deze nieuwe bezuinigingsgedaante verworden is tot een zuiver politiek debat. Naar enige economische analyse en onderzoek over de impact of effectiviteit van hulp wordt al lang niet meer verwezen. Hoe voorzichtig het veel geprezen Nederlandse rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid van enkele jaren geleden over nut en effectiviteit van ontwikkelingshulp ook was, zo summier en politiek ingegeven zijn de huidige stellingnames. Aan de ene kant de traditionele voorstanders, tegenwoordig met Bill Gates als pleitbezorger, die vooral vanuit moreel standpunt beklemtonen dat Nederland als welvarend land het zich niet kan veroorloven minder geld uit te geven aan ontwikkelingshulp. Aan de andere kant de populistische stellingname dat ontwikkelingshulp in feite slecht is voor ontwikkelingslanden en hun afhankelijkheid van de rijke westerse landen bestendigt. Afschaffen van ontwikkelingshulp is in die optiek een win-winoperatie van de zuiverste soort: goed voor Nederland, goed voor ontwikkelingslanden en uiteindelijk goed voor het eigen moreel besef. Als econoom zou je je voor minder schamen. Voor de goede orde, voor de meeste ontwikkelingseconomen blijft ontwikkelingshulp, naast andere kapitaalstromen zoals buitenlandse betalingsopdrachten van migranten, een belangrijke factor in de bestrijding van armoede en kindersterfte. Probleem van een beleid dat gedreven wordt door het verlenen van steun om een ander land tot economische ontwikkeling te brengen, blijft echter de asymmetrische basis tussen enerzijds de steunverlener (het donorland), en anderzijds de steunontvanger (het ontwikkelingsland). Een calvinistisch land als Nederland heeft een traditie in het ontkennen van deze asymmetrie op basis van morele gronden. Ontwikkelingsbeleid, en zeker in de jaren zeventig en tachtig, mocht op geen enkele manier gekoppeld worden aan het eigenbelang van het rijke, hulpverlenende land. Die belangenafstand heeft echter ook inhoudelijke afstand gecreëerd. In Nederland bleef het aanvaarden van het inzicht dat ontwikkelingssamenwerking strategisch mocht zijn en bijvoorbeeld gebaseerd op gedeelde belangen altijd moeilijk te verkroppen. Nochtans blijken gedeelde belangen een veel betere en robuustere drijfveer voor langetermijnsamenwerking. Gedeelde belangen die trouwens ook een positief psychologisch effect hebben dat juist van groot belang is in ontwikkelingslanden. Het spreekt de mensen daar veel meer aan als waardevolle partners behandeld te worden die ook kennis te bieden hebben. Het stimuleert eigenwaarde, ondernemerschap en het gevoel van ownership. Kortom, het verhoogt de effectiviteit van ontwikkelingshulp. Maar dat is al lang niet meer het onderwerp in deze bezuinigingsdiscussies. Veel liever hier het kind met het badwater weggooien. De auteur is professor economie aan de Universiteit Maastricht.Ontwikkelingshulp blijft een belangrijke factor in de bestrijding van armoede en kindersterfte.