De revolutionaire wind die begin 2011 plots oplaaide, blijft heel 2012 over de Arabische wereld razen, zij het grillig en met vlagen. In sommige gebieden begint de democratie vaste vorm te krijgen, in andere wordt ze tegengehouden door autocraten die vastbesloten zijn hun huis niet omver te laten blazen.
...

De revolutionaire wind die begin 2011 plots oplaaide, blijft heel 2012 over de Arabische wereld razen, zij het grillig en met vlagen. In sommige gebieden begint de democratie vaste vorm te krijgen, in andere wordt ze tegengehouden door autocraten die vastbesloten zijn hun huis niet omver te laten blazen. De meest veelbelovende regio is de strook van Tunesië, over Libië tot Egypte. Vooral Tunesië geeft een hoopvol signaal aan de rest van de Arabische wereld. Zijn verkozen constituante maakt de weg vrij voor vrije verkiezingen onder een nieuwe grondwet. De islamistische Nahda-partij wordt de grootste fractie in het parlement, zij het met slechts ongeveer een vijfde van de stemmen. Het gevolg is dat ze maar een onderdeel wordt van een brede regerende coalitie waarin meer seculiere groepen de meerderheid vormen. De Tunesische economie herleeft. Dat komt Libië enorm ten goede, omdat zakenlui die terugkeren naar Tripoli in de eerste plaats naar Tunis kijken voor contacten en inspiratie. Ook hier moeten seculiere progressieven de macht delen met islamisten. Egypte is veruit de grootste verovering voor de democratie in de Arabische wereld. Het land haalt het wel, met vallen en opstaan. Het leger trekt zich terug, al behoudt het een groot deel van zijn privileges. Sommige Egyptenaren wensen ook dat het leger, net als in Turkije, de behoeder van een seculiere manier van leven blijft. Net als in Tunesië blijken de Egyptische islamisten, geleid door de Moslimbroederschap, de best georganiseerde politieke formatie. Maar ook zij vinden het zinvol de macht te delen met de secularisten. In Syrië houdt president Bashar Assad het waarschijnlijk geen jaar meer uit. De soennitische meerderheid, waartoe ook hooggeplaatste militairen en zakenlui behoren, komen tot het besluit dat het bewind van de alevitische minderheid (zowat 10 procent van de bevolking) van de president niet houdbaar is. Ali Abdullah Saleh van Jemen, die half 2011 naar Saoedi-Arabië vluchtte nadat hij bij een aanval op zijn paleis gewond geraakt was, keerde in september terug, maar slaagt er niet in om zijn macht opnieuw te vestigen terwijl zijn land steeds dieper verzinkt in clan- en regionale twisten. Marokko en Jordanië worden allebei geregeerd door vorsten die verstandig genoeg waren om een beetje terrein prijs te geven toen ze aanvoelden dat hun onderdanen snakten naar meer zeggenschap. De wortels van de Jordaanse monarchie gaan niet erg diep en ze is dan ook de wankelste van de twee. Beide koningen worden gedwongen de grenzen waarbinnen de politiek zich kan bewegen te vergroten, maar dat kan moeilijk worden. Irak ontgoochelt omdat de soennitische minderheid - die vroeger aan de macht was - en de sjiitische meerderheid - die nu de touwtjes in handen heeft - elkaars eisen maar niet kunnen aanvaarden. Eerste minister Nuri al-Maliki is in 2010 democratisch verkozen, maar hij wil zijn autoritaire greep versterken. De vraag hoeveel Amerikaanse manschappen er in 2012 en daarna nog blijven draagt bij tot de instabiliteit in het land. De grootste verrassing komt in 2012 van mogelijke agitatie in die delen van de olierijke Golf waar de heersers in 2011 blij waren dat ze hun onderdanen konden afkopen. De uitzondering daarop was Bahrein. Daar trad de soennitische koninklijke familie, die de plak zwaait over een ontstemde sjiitische meerderheid, gewelddadig op toen de meerderheid meer inspraak eiste. In 2012 blijven de sjiieten even halsstarrig protesteren. Om opnieuw enige vorm van eensgezindheid te bereiken, moet kroonprins van Bahrein Salman bin Hamad al-Khalifa ervoor zorgen dat zijn reactionaire oom Khalifa bin Salman al-Khalifa, die al eerste minister is sinds de onafhankelijkheid in 1971, aan de dijk gezet wordt. De heersers in de megarijke en piepkleine Golfemiraten, zoals de Verenigde Arabische Emiraten en Qatar, blijven hun bevolking min of meer tevredenstellen met aalmoezen. Maar ook daar vraagt een toenemend aantal goed opgeleide jongeren zich af waarom hun leiders de val van kolonel Khadaffi in Libië aanmoedigden, terwijl ze hun eigen volk niet dezelfde vrijheid van handelen gunden. Saoedi-Arabië moeten we het scherpst in de gaten houden. De reus van de Golf heeft veruit de grootste bevolking, rijkdom en invloed. Er kan zich een opvolgingscrisis voordoen. Koning Abdullah is ver in de tachtig. De troonopvolger, Nayef, is een meedogenloze reactionair. Tenzij de zogenaamde Allegiance Council van 35 prinsen kan bereiken dat de macht snel verschoven wordt naar een jongere generatie, krijgt het regime te maken met het ongenoegen van de steeds beter opgeleide, ongeduldige en snel toenemende middenklasse. Het huis van Saud, dat zo'n 8.000 prinsen omvat, lijkt opmerkelijk onwillig om democratische hervormingen door te voeren, al is de vrouwen beloofd dat ze bij de volgende lokale verkiezingen mogen stemmen en dat ze, misschien al in 2012, eindelijk een auto mogen besturen. Toch mag het land verwachten dat het gemor almaar luider klinkt. De auteur is redacteur Midden-Oosten en Afrika van The Economist. Xan SmileyIn Saoedi-Arabië dreigt een opvolgingscrisis.