Even leek het erop alsof eerste minister Jean-Luc Dehaene (CVP) zich in de tot nog toe vrij onbekende gedaante van grapjas had gewrongen. In het verlengde van zijn toespraak tot de Kamer over de begrotingscontrole en de actualisering van het regeerakkoord deed hij op de BRTN-radio immers een opgemerkte uitspraak over het vandaag zo bewierookte Nederlandse model. "Vergeet in heel die lofzang niet", zo waarschuwde de premier, "dat de Nederlanders het vandaag inzake tewerkstelling zo goed doen dankzij hun aardgasbel."
...

Even leek het erop alsof eerste minister Jean-Luc Dehaene (CVP) zich in de tot nog toe vrij onbekende gedaante van grapjas had gewrongen. In het verlengde van zijn toespraak tot de Kamer over de begrotingscontrole en de actualisering van het regeerakkoord deed hij op de BRTN-radio immers een opgemerkte uitspraak over het vandaag zo bewierookte Nederlandse model. "Vergeet in heel die lofzang niet", zo waarschuwde de premier, "dat de Nederlanders het vandaag inzake tewerkstelling zo goed doen dankzij hun aardgasbel." Neen, het was geen vervroegde 1-aprilgrap. Dehaene, zo bleek, meende wat hij zei. Nu mag men van de premier veel zeggen, maar dat de man op politiek vlak erg clever, ja zelfs uitgekookt is, staat als een paal boven water. Zij die beweren dat in deze troebele tijden alleen iemand van het kaliber van Jean-Luc Dehaene een Belgische regering bij elkaar kan houden, hebben wellicht gelijk. Vandaar dat het des te opmerkelijker is dat van ons politiek heir nu net Dehaene het aardgas moet opduikelen als iets wat het Nederlandse economische succes mede verklaart. Die redenering slaat immers nergens op.Over het verband tussen enerzijds de mate waarin een land binnen zijn eigen grenzen over natuurlijke grondstoffen en energiebronnen beschikt en anderzijds de mate van economische ontwikkeling en welvaart die een land kan bereiken, werden al bibliotheken vol geschreven. De conclusie van al dat onderzoek staat nauwelijks nog ter discussie : tussen beide fenomenen bestaat geen verband, en als er al één opduikt, dan is het eerder in de negatieve zin. Uitgebreid bezit van veel natuurlijke rijkdommen blijkt vaak haaks te staan op snelle sociaal-economische groei.Het zou kunnen volstaan om in deze context te wijzen op landen als Japan en Zuid-Korea, die de voorbije decennia tegen een nooit geziene snelheid het welvaartsgat met het rijke Westen grotendeels dicht fietsten. Nochtans beschikken ze niet over natuurlijke rijkdommen. Omgekeerd kunnen we refereren aan de voormalige Sovjet-Unie, een land dat grondstoffen en energiebronnen in overvloed had. De maatschappelijke, sociale, economische en ecologische rampen waaraan het ten onder ging, zijn algemeen bekend. Voorts kunnen we nog verwijzen naar ontwikkelingslanden als Nigeria en Zaïre : beide bulken van de natuurlijke rijkdommen, en nochtans zinken ze weg in poelen van werkloosheid, armoede en ellende.Maar Dehaene had het over Nederland en zijn aardgas. Ook dit land illustreert treffend de irrelevantie van aardgasbellen (of andere natuurlijke rijkdommen) voor de brede maatschappelijke welvaart van een land. Inzake overheidsschuld spreken de cijfers voor zich. Nederland heeft vandaag een schuldratio de overheidsschuld als % van het Bruto Binnenlands Product van bijna 80 %. Dat cijfer lijkt comfortabel als men het vergelijkt met de 130 % waar België nog altijd tegenaan kijkt, maar toch is het een flink stuk méér dan de schuldratio van landen als Frankrijk, Duitsland, Spanje en Portugal, die helemaal niet over aardgasbellen of aardolieputten à la hollandaise beschikken. Indien ondanks alles de beschikbaarheid van bijvoorbeeld aardgas toch zou doorwegen voor de economische vooruitgang van een land, dan is het logisch dat men de grootste effecten daarvan zou merken in perioden waar energie duur is. Het relatieve voordeel over een eigen energievoorziening te beschikken, is dan immers het grootst. Zoals bekend kenden de natuurlijke energiebronnen de afgelopen kwarteeuw twee spectaculaire prijsverhogingen : in 1973-74 en in 1979.Met zijn aardgasbel zou Nederland het in de jaren '70 dus beter moeten hebben gedaan dan bijvoorbeeld België. Niets is minder waar. Tussen 1971 en 1980 bedroeg de Nederlandse werkloosheid gemiddeld 4,4 %, de Belgische 4,6 %. In datzelfde decennium liet Nederland een reële economische groei optekenen van gemiddeld 2,9 %, België van 3,2 %. Van het voordeel dat de gasbel had moeten opleveren voor de Nederlandse economie is geen spoor te bekennen.En de begroting dan ? Die liep in België al op het einde van de jaren zestig uit de hand : in 1971 had ons land een deficit van 3,7 %, tegenover 1 % bij onze noorderburen. Die relatief nadelige positie van ons land kan nauwelijks iets te maken hebben met het al dan niet beschikken over aardgas. In Nederland liepen tegen het begin van de jaren tachtig de begrotingscijfers ook uit de hand. In vergelijking met België bleef alles echter binnen de perken en belangrijker werd ook sneller ingegrepen om de toestand recht te trekken. Dit toeschrijven aan aardgas is een groteske verdraaiing van de realiteit.Waar het om gaat inzake sociaal-economische vooruitgang en dus ook inzake structurele gezondheid van de publieke financiën is het beleid dat door de overheid wordt gevoerd. Meer specifiek : laat dat beleid toe dat ondernemingen en particulieren hun middelen en energie inzetten op de meest optimale manier ? Meestal loopt het fout als de overheid meent dat ze zelf de beslissingen moet gaan nemen. In die zin mag men er niet aan denken welke ravage onze spendeerzieke politici zouden hebben aangericht als zij wél over de opbrengsten van een aardgasbel hadden kunnen beschikken.Johan Van Overtveldt