Voorschotten die in rekening-courant worden geboekt nadat een bestuurder of zaakvoerder goederen verkocht heeft aan zijn vennootschap, zijn in de regel geen geldleningen. Tot dat besluit is nu ook het Hof van Cassatie gekomen. Alleen heeft dat wel heel lang geduurd.
...

Voorschotten die in rekening-courant worden geboekt nadat een bestuurder of zaakvoerder goederen verkocht heeft aan zijn vennootschap, zijn in de regel geen geldleningen. Tot dat besluit is nu ook het Hof van Cassatie gekomen. Alleen heeft dat wel heel lang geduurd. Dividenden zijn in de vennootschapsbelasting niet als beroepskosten aftrekbaar. Intresten zijn dat wel. Dividenden zijn bovendien aan 25 procent roerende voorheffing onderworpen. Ten aanzien van intresten is de roerende voorheffing beperkt tot 15 procent. Vandaar dat bij de financiering van vennootschappen, de neiging bestaat om fiscale redenen de voorkeur te geven aan schuldfinanciering boven de inbreng van risicokapitaal. Deze neiging heeft tot gevolg, dat het risicokapitaal van heel wat vennootschappen aan de lage kant blijft. Terwijl zij wel hoge schulden hebben. Om deze tendens tegen te gaan, hebben veel landen zogenaamde thin capitalization-regels ingevoerd. Die moeten ervoor zorgen dat schuldfinanciering in bepaalde omstandigheden fiscaal even nadelig is als de financiering via risicokapitaal. Ook ons land kent zulke regels. Een van de bekendste is de regeling voor rentegevende voorschotten. Als een zaakvoerder of bestuurder aan zijn vennootschap een rentegevend voorschot toekent, dan worden de intresten die de vennootschap hem betaalt, in bepaalde omstandigheden geherkwalificeerd in dividenden. Net alsof het voorschot dat hij heeft toegestaan, de aard zou hebben van risicokapitaal. De herkwalificatie vindt plaats als en in de mate dat bepaalde grenzen overschreden worden. De eerste grens houdt verband met de hoogte van de intresten: als het toegepaste percentage hoger is dan dat van de marktrente wordt het gedeelte van de intresten dat de grens overschrijdt, geherkwalificeerd in dividenden. Met de bekende gevolgen: uitsluiting van de aftrek, en roerende voorheffing tegen het hogere tarief dat op dividenden van toepassing is. De tweede grens houdt verband met de hoogte van de rentegevende voorschotten. Zodra die hoger zijn dan het opgetelde bedrag van de belaste reserves (bij het begin van het belastbaar tijdperk) en het gestort maatschappelijk kapitaal (bij het einde van het belastbaar tijdperk) worden de intresten die op dat hogere gedeelte betrekking hebben, ook weer in dividenden geherkwalificeerd. De regeling is iets ingewikkelder dan ze hier wordt voorgesteld. Sommige voorschotten tellen niet mee. En de regeling is niet beperkt tot de situatie waarin de voorschotten worden toegestaan door een zaakvoerder of bestuurder. Maar de rode draad is duidelijk: bij het toestaan van rentegevende voorschotten, dreigt in vele gevallen herkwalificatie. Wat zijn rentegevende voorschotten? In de wet staat uitdrukkelijk te lezen dat een herkwalificatie slechts mogelijk is als het om geldleningen gaat. De vraag is dan, wat er gebeurt als een zaakvoerder bijvoorbeeld een huis verkoopt aan zijn vennootschap, en de verkoopprijs niet onmiddellijk wordt betaald, maar in rekening-courant wordt geboekt; waarna de vennootschap periodiek een intrest betaalt. Moet men in die omstandigheden ook besluiten dat de zaakvoerder aan zijn vennootschap een geldlening heeft toegestaan? Daarover zijn de voorbije jaren heroïsche discussies gevoerd. De fiscus hield bij hoog en bij laag vol, dat het in zo'n geval zeer dikwijls om een geldlening kan gaan; en dat de betaalde intresten dus wel degelijk voor herkwalificatie in dividenden in aanmerking kunnen komen. De rechtspraak was hopeloos verdeeld. Sommige rechters vonden dat het effectief om een geldlening kan gaan; terwijl verschillende van hun collega's een andere mening toegedaan waren. Er werd dan ook met veel belangstelling uitgekeken naar het verdict van het Hof van Cassatie. Maar dat was in het begin allerminst duidelijk. In een eerste arrest besliste het hof drie jaar geleden, dat een uitgestelde betaling van de verkoopprijs wel degelijk een geldlening kan zijn. Maar blijkbaar was het hof zelf niet tevreden met deze uitspraak. Vorig jaar nuanceerde het zijn beslissing. Het zei nu, dat een uitgestelde betaling niet noodzakelijk een geldlening vormt. En twee maanden geleden voltooide het zijn bocht door te stellen dat zo'n uitgestelde betaling in de regel geen geldlening is. Opgelet dus: het Hof heeft nog altijd niet gezegd, dat een uitgestelde betaling die in rekening-courant wordt geboekt, geen geldlening kan zijn. Alles hangt af van de feitelijke omstandigheden. Maar de toon is nu wel gezet. Daar waar er simpel een uitstel van betaling in het spel is, zal men allicht moeten besluiten, dat er geen geldlening is; en dus, dat de betaalde interesten niet in dividenden geherkwalificeerd kunnen worden. DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOG.Jan Van DyckHet Hof van Cassatie deed er drie jaar over om klare wijn te schenken.