De onderhandelaars van het Toekomstcontract hebben nuttige lectuur voor zich liggen. Het boek van Jan BohetsDe losbandige jaren. Hoe een fortuinlijke generatie met de welvaartsstijging omging, toont hun hoe het niet moet. De journalist van De Standaard beschrijft hoe het Belgisch overlegmodel fors heeft meegewerkt aan de opbouw van de vandaag zo vermaledijde staatsschuld. "Vakbonden en werkgevers sloten akkoorden op kosten van de overheid, de belastingbetalers en de verbruikers," schrijft Bohets. Die losbandige jaren zijn voorb...

De onderhandelaars van het Toekomstcontract hebben nuttige lectuur voor zich liggen. Het boek van Jan BohetsDe losbandige jaren. Hoe een fortuinlijke generatie met de welvaartsstijging omging, toont hun hoe het niet moet. De journalist van De Standaard beschrijft hoe het Belgisch overlegmodel fors heeft meegewerkt aan de opbouw van de vandaag zo vermaledijde staatsschuld. "Vakbonden en werkgevers sloten akkoorden op kosten van de overheid, de belastingbetalers en de verbruikers," schrijft Bohets. Die losbandige jaren zijn voorbij, dat weten Michel Nollet (ABVV) en Willy Peirens (ACV) ook wel. Nollet en Peirens zouden echter ook eens over de grens moeten kijken, naar Nederland. VBO-voorzitter Tony Vandeputte mag trouwens meekijken. Bij onze noorderburen zijn de jaren zeventig nooit zo losbandig geweest, maar de beweging om de sociale partners aan de zijlijn te plaatsen, was er daarom niet minder populair. Was, want die beweging is grotendeels afgerond. De politiek speelt in Nederland de eerste viool, zodat momenteel de kans zeer reëel is dat een wetsvoorstel van GroenLinks wordt goedgekeurd waardoor elke werknemer het recht krijgt zijn arbeidstijd met 20 % te verminderen. Een wet waarmee werkgevers én vakbonden niet zo blij zijn. Volgens hen zijn dit zaken die door henzelf moeten worden geregeld. Twee uitersten. De Belgische jaren zeventig, waar sociale partners alles beslisten zonder zich rekenschap te geven van de gevolgen. En de Nederlandse jaren negentig, waar de sociale partners machteloos moeten toekijken. Waar zal het België van de jaren negentig terechtkomen ?Hopelijk in het midden. De politiek is niet altijd even goed op de hoogte van wat zich in het bedrijfsleven afspeelt. Dat dit een understatement is, had u allicht al begrepen. Daarom is het niet slecht dat werkgevers en vakbonden samen akkoorden afsluiten. Ten eerste kennen zij de situatie op het terrein als geen ander, ten tweede zijn akkoorden die zij hebben afgesloten veel krachtiger en hebben ze een grotere kans om ook tot reële veranderingen te leiden.Of de Belgische sociale partners die middenpositie zullen kunnen vinden, hangt af van het feit of ze er al of niet in slagen een deftig Toekomstcontract te sluiten. Deftig betekent goedkoop, origineel en een antwoord formulerend op de problemen waarmee de arbeidsmarkt worstelt. En zeker niet dwingend. Uiteindelijk moeten de beslissingen genomen worden aan de basis. Om even terug te komen op de arbeidsduurvermindering : uit enquêtes blijkt dat in België tot 30 % van de werknemers bereid is korter te werken met loonverlies maar bij tapkraanfabrikant Molinet in Tienen staken ze nu al wel meer dan twee weken, omdat de werkgever wil overschakelen van een werkweek van 40 uur naar één van 37 uur en 20 minuten. Dat daarvoor vakantiedagen moesten sneuvelen, zinde de werknemers niet. De arbeidsrealiteit is altijd diverser dan men zich in Brusselse kastelen kan voorstellen. G.M.