Op 13 januari 2012 barstte de bom: Frankrijk verloor zijn fameuze triple A-rating, die een eerder onvoorzichtige president Nicolas Sarkozy net tevoren nog naar voren geschoven had als een nationale schat. Het krediet-ratingagentschap Standard & Poor's (S&P) ging echter nog heviger tekeer tegen Spanje en Italië, die in een klap twee trapjes lager terechtkwamen. Spanje bevindt zich nu nog op niveau A (gemiddelde kwaliteit), Italië glijdt af naar BBB+, (lager dan gemiddelde kwaliteit).
...

Op 13 januari 2012 barstte de bom: Frankrijk verloor zijn fameuze triple A-rating, die een eerder onvoorzichtige president Nicolas Sarkozy net tevoren nog naar voren geschoven had als een nationale schat. Het krediet-ratingagentschap Standard & Poor's (S&P) ging echter nog heviger tekeer tegen Spanje en Italië, die in een klap twee trapjes lager terechtkwamen. Spanje bevindt zich nu nog op niveau A (gemiddelde kwaliteit), Italië glijdt af naar BBB+, (lager dan gemiddelde kwaliteit). De afstraffing die S&P die negen Europese landen toediende, mag dan meteen de krantenkoppen gehaald hebben, de obligatiemarkt negeerde ze volkomen. De rente op het tienjarige Franse waardepapier daalde zelfs lichtjes, terwijl de Duitse rente steeg. Een tijdelijke anomalie? Nee, de toestand bleef heel januari gelijk: het verschil tussen de Franse en de Duitse rente daalde van 1,32 naar 1,20 procent. De Franse obligaties wonnen dus aan populariteit. Wil dat nu zeggen dat de mening van S&P weinig ter zake doet? Niet echt. Dat de rentevoeten na de bliksemschicht van S&P niet meer verslechterden, kwam omdat de markten al op de zaak vooruitgelopen waren. De beleggers eisten voor de ratingverlaging al een rendement van meer dan 3 procent op Frans staatspapier, terwijl ze zich voor de Duitse Bunds met 2 procent tevreden stelden, wat betekent dat Frankrijk in hun ogen al geen AAA-rating meer verdiende. Vandaar ook het meer fundamentele verwijt dat de bureaus hun ratings zouden aanpassen aan de omstandigheden op de markt in plaats van toekomstgericht advies te geven. Maar als ze eerder optreden als spiegels dan als orakels, waar zit dan hun toegevoegde waarde? "Het is normaal dat de perceptie van de markt en de opinie van de agentschappen uiteenlopen", zegt Carol Sirou, de voorzitster van Standard & Poor's voor Frankrijk en de Franstalige gebieden. "De rating geeft enkel het risico weer dat de schulden niet terugbetaald worden, terwijl de markten ook rekening houden met andere parameters, zoals de liquiditeit van de effecten, hun volatiliteit en de verwachtingen van de investeerders." Het wantrouwen van de beleggers ten opzichte van de eurozone weegt vandaag zwaar in het oordeel van de markt. Sirou herinnert eraan dat de ratingbureaus indicatoren aanreiken die het de beleggers mogelijk maken te anticiperen op de mogelijke evolutie van de noteringen. "Het is dan ook niet verwonderlijk dat de knip in de rating van Frankrijk niet geleid heeft tot een verhoging van de rentes." De facto waarschuwen de agentschappen vooraleer ze een land degraderen. Ze doen dat door de vooruitzichten (of het toezicht) die aan de rating gekoppeld worden te veranderen. Als die overgaan van stabiel naar negatief, dan betekent dat officieel dat een degradatie in de lucht hangt. De landen die op 13 januari met een kredietverlaging kregen, waren al op 5 december onder toezicht geplaatst. En dat bleef toen niet zonder gevolg: de Franse rentes sprongen toen wel degelijk op en de Duitse daalden. Het verschil in rendement tussen de Franse en Duitse obligaties op tien jaar steeg in drie dagen van 0,92 tot 1,33 procentpunt. Bovendien wekken de noteringen die de agentschappen nu geven misschien de indruk dat ze de markt volgen, maar dat was niet zo aan het begin van de Europese schuldencrisis. Toen S&P in januari 2009 de ratings van Griekenland, Spanje en Portugal verlaagde, oogstte het hoongelach. In Europa dacht men dat het agentschap zich interessant wou maken en alleen maar de zware flaters wou doen vergeten die het (samen met zijn gildebroeders) begaan had door over de verdorven rommelhypotheken zegebulletins de wereld in te sturen. Maar toen S&P de rating van Griekenland op 27 april 2010 onder vuur nam, brak paniek uit. Het tweejarig waardepapier dat door Athene uitgegeven werd, zag zijn rendement opflakkeren tot 18 procent. Het staat nu op liefst 150 procent... Dat zou betekenen dat de kredietbeoordelaars de problemen van de eurozone correcter voorspeld hebben dan de markten. Hoe dan ook, de ratingbureaus hebben hun vuurkracht behouden. Maar is hun invloed overdreven? Ongetwijfeld, maar dat is tegen wil en dank, benadrukken ze. Het probleem is dat de autoriteiten aan weerszijden van de oceaan de krediet-ratings als heilig beschouwen in plaats van als een van de vele informatiebronnen. Zelfs de ECB beroept zich op de ratings om te bepalen welke effecten ze als garantie aanvaardt als ze geld leent aan de banken. "Als de ratingbureaus onmisbaar zijn, dan is dat omdat de anderen lui zijn, zowel de investeerders, de banken als zelfs de centrale banken", verklaarde toenmalig Dexia-baas Pierre Mariani eind november. Carol Sirou (S&P) gaf vorige zomer zelfs toe: "De verwijzing naar de ratings die door de reglementering wordt opgelegd, kent aan de agentschappen een rol buiten proportie toe." Hoewel de ratingverlaging van de VS complottheorieën als zou het bekende Amerikaanse trio Standard & Poor's, Moody's en Fitch anti-Europese gevoelens laten meespelen ontkracht, blijft hun overwicht voor wrevel zorgen. Europa kijkt dan ook vurig uit naar een Europees alternatief. Een agentschap gepromoot door de Unie of de ECB is niet echt een geloofwaardige benadering omdat die instellingen dan zowel rechter als betrokken partij zouden zijn. De in München gevestigde consultant Roland Berger stelt een radicaal ander agentschap voor. Hij wijst op de zwakheden van het huidige systeem: de oligopoliesituatie leidt tot zeer hoge prijzen, er is een gebrek aan transparantie in de methodologie en een tekort aan aansprakelijkheid van de agentschappen, ook in geval van fout of nalatigheid. Een ander bezwaar is dat er een belangenconflict ontstaat doordat de beoordeelde entiteit het agentschap voor zijn rating betaalt. Volgens Berger moet een Europese kredietbeoordelaar het statuut krijgen van een stichting zonder winstoogmerk en betaald worden door de investeerders. De aandeelhouders zouden institutionele beleggers zijn, zoals pensioenfondsen, banken en de beurzen, meldt Bruno Colmant, die het initiatief van Berger komt bepleiten in België. De beurzen vallen in deze immers niet ten prooi aan belangenconflicten. En waar moet dat agentschap dan gevestigd zijn? In Brussel, in Frankfurt? Alles bij elkaar is kanselier Angela Merkel zijn grootste steunpilaar. Afspraak tijdens het tweede halfjaar, belooft de consultant. GUY LEGRAND"De ratingagentschappen krijgen een buitenproportioneel grote rol toebedeeld" Carol Sirou (S&P)