De voorbije maanden steeg af en toe een misplaatste vreugdekreet op over de Belgische begrotingscijfers. Een tekort van 4,6 procent in 2010, het is minder erg dan gevreesd en de diepte van de put doet ons niet blozen in een Europese vergelijking. En we komen uit een zware en geïmporteerde crisis.
...

De voorbije maanden steeg af en toe een misplaatste vreugdekreet op over de Belgische begrotingscijfers. Een tekort van 4,6 procent in 2010, het is minder erg dan gevreesd en de diepte van de put doet ons niet blozen in een Europese vergelijking. En we komen uit een zware en geïmporteerde crisis. Er wordt daarbij veel te snel vergeten dat dit tekort grotendeels structureel van aard is, en dus niet als sneeuw voor de conjuncturele zon zal verdwijnen. Te snel wordt ook vergeten dat het overheidstekort dieper liggende oorzaken heeft. Aan de basis ligt een ontsporing van de overheidsuitgaven. Sinds 2000 stegen die twee keer sneller dan het nationale inkomen. Terwijl het nominale bpp in de pe-riode 2000-2010 met 40 procent steeg, klommen de nominale overheidsuitgaven (voor intrestlasten) in dezelfde periode met 66 procent (zie grafiek). Deze uitgavendrift maakte de begroting extra kwetsbaar voor de crisis. De paarse regeringen konden nog profiteren van de dalende rentelasten om die uitgavendrift te camoufleren in een begroting in evenwicht, maar zodra de rentebonus opgesoupeerd was, doken de overheidsfinanciën in de rode cijfers. Mochten de uitgaven de voorbije tien jaar gelijke tred hebben gehouden met de economische groei, wat niet meteen een verstikkend uitgangspunt is, dan zouden de uitgaven vandaag ruim 25 miljard lager liggen. Er zijn verzachtende omstandigheden, omdat in de overheidsrekeningen een aantal lastenverlagingen geboekt wordt als subsidies aan de ondernemingen en dus als uitgaven. Ook de steun aan het systeem van de dienstencheques wordt geboekt als uitgaven. Die maatregelen kunnen eerder als een verlaging van de belastingdruk dan als stijgende uitgaven geïnterpreteerd worden. Maar ook als die niet meegeteld worden, blijft de vaststelling dat België zijn huishouden niet onder controle heeft. Niet alleen de federale overheid is in dit bedje ziek. Op alle fronten schreef de overheid de voorbije tien jaar ongedekte cheques. De gemiddelde reële groei van de uitgaven was bij de deelstaten 2,6 procent, bij de sociale zekerheid 2,9 procent, bij de lokale overheden 3 procent, en bij de federale overheid 2,7 procent. Zolang deze diep ingebakken spilzucht niet aangepakt wordt, is elke poging tot sanering dweilen met de kraan open. Als daar straks nog eens een stijging van de rentelasten bovenop komt, dreigt de begroting helemaal kopje- onder te gaan. Een bevriezing van de uitgaven in reële termen (waarbij de uitgaven enkel nog de inflatie volgen) is de aanbevolen weg om de begroting structureel te saneren. Dat wordt niet gemakkelijk, omdat demografische elementen (stijgende uitgaven voor pensioenen en gezondheidszorg) en wettelijke elementen (welvaartsvastheid van de uitkeringen) de uitgavengroei in gewapend beton hebben gegoten. Een besparing links of rechts zal dat beton niet breken. Alleen een moedig en krachtig sociaaleconomisch beleid, gericht op werkgelegenheid en economische groei, kan die klus klaren. Als de aanslepende regeringsonderhandelingen een regering van het status-quo baren, dan zal dat alleen maar nieuw tijdsverlies opleveren voor de overheidsfinanciën. DOOR DAAN KILLEMAES