U krijgt een risicovergoeding om in aandelen te beleggen

In de periode 1838-2010 boden aandelen een extra rendement van 2,54 procent per jaar tegenover cash. Dat levert spectaculaire resultaten op. Wie 1 Belgische frank in de Belgische beurs in 1838 belegde, heeft zijn erfopvolgers 218 frank (met gelijke koopkracht als in 1838) nagelaten eind 2010. Wie diezelfde frank in cash belegde, had tegen 2010 amper 3 frank op zak (zie grafiek). Op de héél lange termijn zijn aandelen dus de beste belegging. Zet alle jaarreturns sinds 1840 op een rij, en de gemiddelde reële return bedraagt 5,29 procent en de samengestelde...

In de periode 1838-2010 boden aandelen een extra rendement van 2,54 procent per jaar tegenover cash. Dat levert spectaculaire resultaten op. Wie 1 Belgische frank in de Belgische beurs in 1838 belegde, heeft zijn erfopvolgers 218 frank (met gelijke koopkracht als in 1838) nagelaten eind 2010. Wie diezelfde frank in cash belegde, had tegen 2010 amper 3 frank op zak (zie grafiek). Op de héél lange termijn zijn aandelen dus de beste belegging. Zet alle jaarreturns sinds 1840 op een rij, en de gemiddelde reële return bedraagt 5,29 procent en de samengestelde reële return bedraagt 3,16 procent. Voor cash bedraagt de gemiddelde reële return slechts 1,24 procent. De return op obligaties leunt veel dichter aan bij cash dan bij aandelen. Internationale studies tonen aan dat obligaties op langere termijn doorgaans slechts een zeer klein extra rendement ten opzichte van cash en obligaties op korte termijn geven. Het zijn de periodes van hoge inflatie die bijzonder destructief uitpakken voor het reële rendement op cash en obligaties. De inflatieperiodes rond beide wereldoorlogen zorgden ervoor dat wie in 1838 in risicovrij papier stapte, tot het einde van de jaren zeventig tegen een negatieve return aankeek. Aandelen bieden op lange termijn bescherming tegen inflatie, behalve in extreme inflatieperiodes. Als je inflatiebescherming broodnodig hebt, geven ook aandelen niet thuis. Deze aandelenpremie scheert soms hoge toppen, zoals in de jaren twintig of de jaren tachtig, maar gaat ook door diepe dalen bijvoorbeeld in de jaren dertig en 2000. De aandelenpremie is zo volatiel dat zelfs een periode van 40 jaar niet volstaat om een positief rendement te garanderen. Historisch gezien bedraagt de kans zelfs 12 procent dat een aandelenbelegging over een periode van 40 jaar negatief rendeert. Als het een troost mag wezen, over een periode van 40 jaar is de return op de beurs altijd beter dan op cash. Over een periode van tien jaar heb je 75 procent kans om een positieve reële return te boeken op de beurs, over een periode van 20 jaar 78 procent, over een periode van 30 jaar 86 procent, en over 40 jaar dus 88 procent. Soms volstaan twee generaties niet om een positieve return te garanderen. Koersstijgingen compenseren doorgaans de inflatie niet. De doorsneebelegger kon de voorbije 170 jaar met koersstijgingen de inflatie niet terugverdienen. Het positieve reële rendement komt dus volledig van dividenden die bewezen hebben dat ze een substantiële stabiele bron van inkomsten vormen. In alle decades zorgden dividenden voor een positieve reële return. Dividenden waren relatief laag in de laatste twee decennia van vorige eeuw, maar er is geen duidelijke trend naar lagere dividenden. 'Een koe voor de melk en een aandeel voor het dividend' is dus een statistisch bewezen boutade.