De jongste programmawet herziet het BTW-statuut van de overheid grondig. Directe aanleiding is een arrest van het Arbitragehof, dat de bestaande regeling ongrondwettig heeft genoemd.
...

De jongste programmawet herziet het BTW-statuut van de overheid grondig. Directe aanleiding is een arrest van het Arbitragehof, dat de bestaande regeling ongrondwettig heeft genoemd. Die regeling komt erop neer dat overheidsinstellingen niet de hoedanigheid hebben van BTW-plichtigen en daarom geen BTW hoeven aan te rekenen, tenzij ze werkzaamheden verrichten die voorkomen op een speciaal bij koninklijk besluit vastgelegde lijst. Op die lijst staan bijvoorbeeld de exploitatie van een restaurant, de levering van water, gas, elektriciteit en stoom, de exploitatie van een autorijschool. Volgens het Arbitragehof is de bevoegdheid die aan de koning gegeven is om deze lijst vast te stellen, strijdig met de grondwet. De regering moest dus noodgedwongen op zoek naar een andere oplossing. Europa. Van de gelegenheid is meteen gebruik gemaakt om na te kijken of de bestaande regeling beantwoordt aan de Europese voorschriften. Een ontluisterende oefening, want de regeling blijkt op verschillende plaatsen af te wijken van de op dit punt meestal dwingende Europese wetgeving. Daarom is de bestaande regeling grondig herzien en meteen in overeenstemming gebracht met de Europese voorschriften. Die vond men tot voor kort terug in wat in het jargon de "zesde" BTW-richtlijn heet. Goed om weten is, dat deze richtlijn ondertussen vervangen is door een nieuwe richtlijn van 17 november 2006 - de nieuwe Europese BTW-bijbel sinds 1 januari. Die coördineert en herstructureert alle bepalingen van de eerste en zesde richtlijn. Nieuw. De nieuwe Belgische regeling behoudt de basisregel: de overheid heeft in principe niet de hoedanigheid van BTW-plichtige en hoeft dus geen BTW aan te rekenen, op voorwaarde dat het overheidslichaam 'als overheid' optreedt. Niet alle overheidslichamen vallen echter onder deze regeling. De principiële BTW-vrijstelling geldt enkel voor de staat, de gemeenschappen en gewesten, de provincies, gemeenten en openbare instellingen. Maar opgelet, deze laatste moet bij wijze van 'stichting' zijn opgericht. Een publieke vennootschap bijvoorbeeld wordt niet bij wijze van 'stichting', maar bij wijze van 'vereniging' opgericht - verschillende entiteiten verenigen zich en richten haar op. Ze kan de BTW-vrijstelling dus niet genieten. Tweede regel: overheidslichamen die de principiële BTW-vrijstelling wel kunnen genieten, blijven BTW-plichtig als ze werkzaamheden verrichten die voorkomen op een speciaal daartoe opgestelde lijst. Er zijn echter twee verschillen met vroeger: de lijst wordt niet meer bij koninklijk besluit vastgesteld, maar rechtstreeks in het BTW-wetboek ingeschreven. En de lijst wordt beter afgestemd op de Europese directieven. Het gevolg is dat de nieuwe lijst op verschillende punten afwijkt van de lijst die tot nog toe bestond. Zo komen reclamewerkzaamheden niet op de oude, maar wel op de nieuwe lijst voor. Een gemeente die reclamewerkzaamheden voor bepaalde verenigingen verricht en daarvoor een prijs vraagt, zal BTW moeten aanrekenen. Concurrentie. Derde regel: voortaan zijn overheidslichamen BTW-plichtig als ze 'als overheid' werken uitvoeren die niet op de lijst staan, maar die de concurrentie verstoren. Dit klinkt ongetwijfeld als muziek in de oren van de privé-ondernemingen die lijdzaam moeten toezien hoe zij wel en de met hen concurrerende overheidsinstellingen geen BTW moeten aanrekenen. Vooral omdat de nieuwe regeling geldt zodra het niet aanrekenen van BTW een concurrentieverstoring van 'enige' betekenis tot gevolg heeft. De geringste concurrentieverstoring volstaat dus. De overheidsinstellingen zien de doos van Pandora opengaan. Maar er is een wijziging die in het parlement, waar vele burgemeesters zitting hebben, nog meer stof heeft doen opwaaien. Ze houdt in dat gemeenten BTW zullen moeten afdragen wanneer ze met eigen personeelsleden werken in onroerende staat uitvoeren aan bijvoorbeeld het zwembad of het cultureel centrum dat ze zelf uitbaten. Die wijziging wil eveneens concurrentieverstoring tegengaan, maar ze tast diep in de gemeentekas. Vandaar het protest, en vandaar de beslissing om het nieuwe BTW-statuut van de overheid pas vanaf 1 juli te laten ingaan. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck