Niemand zal kunnen zeggen dat Vlaanderen tijdens de legislatuur 2004-2009 niets gedaan heeft voor zijn betrekkingen met het buitenland. Toen 2004 begon, was het bijna 35 jaar geleden dat Vlaanderen zijn culturele autonomie veroverd had, inclusief de culturele betrekkingen met het buitenland. Gedurende die lange periode was er voortdurend getimmerd aan het Belgische staatsbestel. Het Belgische bestuursplatform is danig versmald, het Vlaamse sterk verbreed. (...)
...

Niemand zal kunnen zeggen dat Vlaanderen tijdens de legislatuur 2004-2009 niets gedaan heeft voor zijn betrekkingen met het buitenland. Toen 2004 begon, was het bijna 35 jaar geleden dat Vlaanderen zijn culturele autonomie veroverd had, inclusief de culturele betrekkingen met het buitenland. Gedurende die lange periode was er voortdurend getimmerd aan het Belgische staatsbestel. Het Belgische bestuursplatform is danig versmald, het Vlaamse sterk verbreed. (...) De Vlaamse buitenlandse betrekkingen zijn de hele tijd gevoelig gegroeid. Gedurende de vijf jaar legislatuur van 2004 tot 2009 heeft de Vlaamse regering opvallend veel aan institution building gedaan. De administratie buitenlands beleid en internationale samenwerking (BBIS) is een volwaardig departement (ministerie) geworden onder de naam DiV (departement internationaal Vlaanderen). Dit departement hielp op zijn beurt mee aan de oprichting van gedecentraliseerde instellingen zoals VLEVA (Vlaams-Europees Verbindingsagentschap), het interuniversitair steunpunt en de Strategische Adviesraad internationaal Vlaanderen (SARiV). Tegelijkertijd werden de bestaande posten (vertegenwoordigingen) in het buitenland gevoelig versterkt en werden er nieuwe posten in het buitenland gecreëerd. Vlaanderens buitenlandse betrekkingen mobiliseerden daardoor gaandeweg meer ambtenaren en de daarmee samengaande begrotingen ontwikkelden zich navenant. (...) Iedereen die vertrouwd is met de problematiek van het management, weet dat het creëren van instellingen of het benoemen van personeel niet per se en in alle gevallen als bewijs kan gelden voor goed beheer. Het is precies die vraag die ons bezighoudt. Kan of moet de institution building van 2004-2009 gelden als goed beheer van Vlaanderens buitenlandse betrekkingen? Daarover zijn een reeks kanttekeningen te maken. Een eerste indruk die we opdeden bij het uitkammen van de immense stapel overheidsdocumenten, is dat federalisme, zeker het Belgische model, een buitenlands beleid produceert dat veel kostelijker uitvalt dan het buitenlands beleid van een unitaire staat. Tijdens het proces van regionalisering is er immers niemand, geen enkele ambtenaar van het federaal ministerie van Buitenlandse Zaken, overgeheveld naar het regionaal niveau. Terwijl het personeelskader van het federale ministerie hetzelfde bleef, moest het nieuwe Vlaamse (en het Waalse en het Brusselse) kader gezocht en benoemd worden en in nieuwe lokalen worden ondergebracht. Met een uitzondering: Buitenlandse Handel. Een deel van het kader van de Belgische Dienst Buitenlandse Handel (BDBH) kwam wel over naar het regionaal niveau. De totale kosten van het buitenlands beleid, ten laste van de Belgische belastingbetaler, werden met een belangrijke coëfficiënt verhoogd. Een tweede indruk die men opdoet wanneer men een boek als dit schrijft, is dat het Vlaams buitenlands beleid een ware papierberg produceert. Over zowat alles worden nota's gemaakt. Stukken van honderd dicht bedrukte bladzijden zijn geen uitzondering. Ze zijn encyclopedisch en haast elk detail wordt vermeld. Waar een adjectief kan volstaan worden er meestal drie gebruikt. Daarvan komt weinig of niets in de Vlaamse media terecht tenzij er ergens een incident gebeurt (zoals de federale minister van Buitenlandse Zaken die een robbertje uitvecht met zijn Vlaamse tegenvoeter). Het Vlaams buitenlands beleid lijkt vaak op een club die druk bezig is, maar waarvan maar weinigen in de buitenwereld weten waarover het gaat. Jammer, want het blijft een belangrijk fenomeen. (...) Vlaanderen is op het internationale forum een zwakke entiteit. Daarom is het belangrijk dat er een politieke figuur opstaat waarin het buitenland Vlaanderen (h)erkent. Zoals Jordi Pujol voor Catalonië of Franz-Jozef Strauss voor Beieren. In 2004 kon men nog hopen dat Yves Leterme zo'n figuur zou kunnen worden. Als Vlaams minister-president had hij die mogelijkheid, maar blijkbaar niet de wil. Het is gebleken dat het premierschap van de Belgische regering hem nader aan het hart lag. Wellicht is dit een illustratie van het peterprinciple: willen doorstoten tot het niveau waar het niet meer gaat. (...) Bij de vorming van de Vlaamse regering-Leterme in 2004 was het echter de VLD die om partijpolitieke redenen de portefeuille eiste van Buitenlandse Handel en Economie. Daarmee was het principe van 'alle buitenlandse betrekkingen bij de minister-president' begraven. Tijdens een lang onderhoud met Yves Leterme zei ik hem dat hij als minister-president en in functie van het internationale forum minstens het coördinerende voorzitterschap zou kunnen waarnemen van een soort beleidsraad waarin Buitenlandse Handel (Fientje Moerman), Buitenlands Beleid (Geert Bourgeois) en hun vakdepartementen minstens met elkaar samen overleg zouden plegen. Hij antwoordde dat hij dit niet kon doen. Voor mij werd het toen duidelijk. Yves Leterme had onvoldoende interesse voor het Vlaams buitenlands beleid en hij vreesde daarenboven dat zo'n coördinerend voorzitterschap niet geapprecieerd zou worden door zijn toenmalige kartelpartner. Zo is de legislatuur 2004-2009 geen voorbeeld geworden van een bundeling van alle buitenlandse betrekkingen. De versnippering van de ministers die functioneel optraden in de buitenlandse betrekkingen en het wederzijdse 'vliegen afvangen' was daarvoor ook te groot. Als nieuwbakken deelnemer aan het beleid en als kartelpartner wilde het kabinet Bourgeois het waarmaken en scoren, terwijl viceminister-president Moerman hoger stond in de regeringshiërarchie en zich niet liet doen. De minister die de internationale culturele betrekkingen in zijn portefeuille had (Bert Anciaux) verdedigde de stelling dat cultuur zich niet mocht laten gebruiken als kruiwagen voor economie of voor zuiver politieke doeleinden. De minister-president liet dit alles voor wat het was, want hij had andere plannen. Uiteindelijk, na het ontslag van Bourgeois op 22 september 2008, kwamen de buitenlandse betrekkingen (zonder Buitenlandse Handel) wel bij minister-president Peeters terecht. Die was tegelijkertijd minister-president en minister van Buitenlands Beleid, van Landbouw, van Havens, van Institutionele Hervormingen, van Bestuurszaken, van Media, van Toerisme, van Zeevisserij en van Plattelandsbeleid. (...) Naast de vraag of Buitenlands Beleid wel de juiste plaats kreeg in de regeringen van Leterme en Peeters, stelde zich nog een andere, meer fundamentele, vraag. Moest het Vlaams buitenlands beleid de Vlaamse belangen in het buitenland behartigen of was dit buitenlands beleid een middel dat dag na dag kon en moest worden gebruikt om Vlaanderen van België los te maken? (...) Als Vlaanderen een eigen stek wil in het buitenland, maakt het dan al of niet gebruik van federale gebouwen zoals de Belgische ambassade daar? Gaat Vlaanderen in op de bereidheid van de federale minister van Buitenlandse Zaken om te helpen bij de economische diplomatie? Een independist zal anders antwoorden op die vragen dan iemand die denkt dat Vlamingen en Franstaligen met een verregaande latrelatie wel in een verwaterd België samen kunnen blijven. Wanneer men hierover geen stelling inneemt bij het begin van een nieuwe regeerperiode, blijft er een grote dubbelzinnigheid bestaan. Dat was het geval tijdens 2004-2009. (...) Het zijn discussies tussen Belgische Vlamingen en Vlaamse Vlamingen waar niemand beter van wordt. (...) Een ander voorbeeld betreft het geval waarin de (Vlaamse) minister van Buitenlands Beleid een eigen stek wil in New York. In plaats van een vergelijk te vinden met het Belgische consulaat-generaal ter plaatse, verkiest hij om 500.000 euro huur per jaar te betalen om in Manhattan bureaus te huren op de 44ste verdieping van de New York Times building. Terwijl de Belgische consul-generaal (ook een Vlaming) met spijt in het hart toekijkt en terwijl de federale minister van Buitenlandse Zaken (ook een Vlaming) verklaart dat er betere en goedkopere methodes bestaan om Vlaanderen in New York te positioneren. Dit maakt duidelijk dat Vlaanderen internationaal op twee manieren in het buitenland bezig kan zijn. (...) Vaak heeft de geviseerde buitenlander meer interesse voor de imposante Belgische residentie dan voor een afzonderlijk Vlaams kantoor. Als de federale minister van Buitenlandse Zaken logistieke of andere steun wil verlenen aan Vlaamse inspanningen, als hij pleit voor economische diplomatie, dan moet men dat niet zonder meer afwijzen en dient men formules van samenwerking te zoeken die weliswaar vroeger gemaakte afspraken (investeringen en export zijn gewestelijke materies) respecteren. Diplomatie is in zijn essentie belangenverdediging en dient niet gebruikt te worden om interne Belgische dossiers te exporteren. Dezelfde houding - realistisch blijven en aan pragmatische maar doelgerichte belangenverdediging doen zonder verborgen politieke doelen - is ook voor andere delen van de Vlaamse buitenlandse betrekkingen aan te prijzen. Als men voorstander is van een doorgedreven Vlaams-Nederlandse samenwerking moet men dat doel niet komen verdedigen (zoals gebeurde in een van de Vlaamse beleidsbrieven) met het argument dat Nederland Vlaanderen zo geholpen heeft bij de Vlaamse ontvoogding. (...) Vlaanderen heeft de Nederlandse belangenverdediging leren kennen in bloednuchtere discussies over het Scheldedossier of over de IJzeren Rijn. Daarbij de sentimentele toer op gaan en denken dat eenzelfde taal ook eenzelfde belang veronderstelt, is blijk geven van een kinderlijke naïviteit. We moeten de Nederlandse minister-president niet schofferen, zoals Karel De Gucht in het begin van zijn ministerschap heeft gedaan, maar buitenlandse zaken nemen voor wat het is: een ernstige zaak waarin geen plaats is voor naïviteit. Door Jan HendrickxFederalisme, zeker het Belgische model, produceert een buitenlands beleid dat veel kostelijker uitvalt dan dat van een unitaire staat. Yves Leterme had onvol-doende interesse voor het Vlaams buitenlands beleid.