Al heel dikwijls heb ik moeten horen en lezen dat een belegger 'voorzichtiger' moet zijn als hij met pensioen gaat. Daarmee wordt bedoeld dat hij meer in obligaties dan in aandelen hoort te beleggen. Iedereen heeft zeker ook al de schlager gehoord dat het percentage aandelen in uw portefeuille gelijk moet zijn aan 100 min uw leeftijd. Dus bent u vijftig, dan 50%, bent u 60, dan 40% enzovoort.
...

Al heel dikwijls heb ik moeten horen en lezen dat een belegger 'voorzichtiger' moet zijn als hij met pensioen gaat. Daarmee wordt bedoeld dat hij meer in obligaties dan in aandelen hoort te beleggen. Iedereen heeft zeker ook al de schlager gehoord dat het percentage aandelen in uw portefeuille gelijk moet zijn aan 100 min uw leeftijd. Dus bent u vijftig, dan 50%, bent u 60, dan 40% enzovoort. Maar wat als grote groepen normaal voorzichtige en ervaren beleggers zich helemaal niet zo gedragen? Zijn zij dan in de fout, of zijn het die adviseurs die iets dat goed klinkt bij elkaar gefantaseerd hebben? De vlotheid waarmee in de media over 'de belegger' wordt gesproken, staat in schril contrast met wat er over particuliere beleggers bekend is. De neiging om simplistische ideeën naar voor te schuiven, is dus alom tegenwoordig. Enquête. Om het gebrek aan systematische kennis te verhelpen, organiseerde de Vlaamse Federatie van de Beleggingsclubs en de Beleggers ( VFB) in het jaar 2000 een anonieme enquête waarop door een vijfhonderdtal leden werd geantwoord. De vragen peilden naar zowel persoonskenmerken (leeftijd, opleidingsniveau...) als beleggingsprocessen (informatiebronnen, tussenpersonen...), en het beleggingsprofiel (grootte aandelenportefeuille, andere vermogenscomponenten, transactiebedragen...). De resultaten werden al uitgebreid in de nieuwsbrief van de VFB besproken. En wat zegt die enquête over de relatie tussen beleggen in aandelen en leeftijd? Met behulp van collega Walter Nonneman en een aantal studenten econometrie van de Universiteit Antwerpen werden de gegevens aan een clusteranalyse onderworpen. Dat is een methode om in een massa informatiegroepen af te zonderen waarvan de leden voldoende gemeenschappelijke eigenschappen vertonen om ze als een groep te kunnen herkennen. De zeven subgroepen of clusters konden nog verder worden gereduceerd tot drie zeer herkenbare klassen op basis van de gemiddelde leeftijd: (a) beleggers rond dertig jaar (3,2% van het totaal), (b) beleggers rond vijftig jaar (91,7%) , (c) beleggers rond zestig jaar (ongeveer 5%). De jonge beleggers van cluster 1 hebben het laagste inkomen en het kleinste vermogen van de verschillende groepen. Maar wat hun roerende beleggingen betreft, had deze groep voor 86% in aandelen belegd en was hun winstverwachting met 29% hoog gespannen. (Je bent jong en je hoopt wat.) Hier vinden we de actieve gebruikers van het internet en de moderne media. De andere beleggers grijpen eerder naar de telefoon. 65% van de beleggers rond vijftig jaar zit in cluster 2. Hun gemiddelde winstverwachting van 12% is zeer realistisch te noemen, en de doorsneeportefeuille bevat zowat 30% obligaties en 70% aandelen. Deze beleggers verhandelen weinig frequent. Cluster 3 onderscheidt zich van cluster 2 door veel hogere winstverwachtingen (26%). Maar er blijkt geen verband te bestaan tussen die hoge winstverwachting en bijvoorbeeld het soort aandelenmarkt waarin wordt belegd, of het schrijven of kopen van opties of warrants in portefeuille. Het zijn wel nerveuze beleggers, want ze verhandelen veel frequenter dan de anderen. Cluster 4 onderscheidt zich weinig of niet van cluster 2, tenzij door het feit dat ze een hoog inkomen genieten. Dat schijnt op zich weinig verschil te maken in hun beleggingsgedrag. Cluster 5 valt te identificeren als de zelfstandigen, en men treft daar ook de hoogste gemiddelde waarde van de eigen zaak aan. Deze groep heeft ook een veel groter totaal vermogen. Hier vindt men de beleggers die het langst actief op de beurs zijn, en die ook een hogere opleidingsgraad bezitten. We stellen vast dat deze groep ook opties schrijft en in portefeuille neemt, hoewel hun winstverwachtingen daardoor niet significant hoger liggen. Zij nemen ook het meest actief deel aan alternatieve beleggingsvormen zoals pensioensparen, privé-levensverzekeringen en dergelijke. Clusters 6 en 7 zijn de gepensioneerden, met een gemiddelde leeftijd van 62 jaar. Ze beschikken over een groter vermogen maar qua winstverwachtingen (12%) zijn ze dan weer gemiddeld te noemen en in lijn met de marktervaring. Velen signaleren bijvoorbeeld ook dat ze hun portefeuille meestal manueel opvolgen. De meest kapitaalkrachtige cluster 7 kenmerkt zich verder door het feit dat de portefeuille frequenter wordt opgevolgd, en dat er gediversifieerd is belegd op alle aandelenmarkten.En wat zien we bij deze solide beleggers, die, zoals we ze kennen, weinig aan het toeval overlaten? Het percentage van het totale roerende vermogen dat in aandelen is belegd, ligt rond 70%. Leeftijd schijnt hier niet mee te spelen. De jongeren steken erboven uit, maar bij hen gaat het toch meer om het 'leerproces' van het beleggen.Hobbyisten. Meer of minder in aandelen beleggen, staat dus helemaal niet in relatie tot de leeftijd. Als we zien hoe sterk deze beleggers in aandelen beleggen, zal de goegemeente zich ongetwijfeld afvragen of deze beleggers zich niet laten meeslepen door hun hobby. Is dat nu wel verantwoord? Over twee weken komt op deze vraag het positieve antwoord. Volgens mijn toch conservatieve berekeningen hebben deze koele beleggers hun risico's zeer goed onder controle en lopen ze geen bijzonder hoog risico.Vindt u het ook spannend? Dan vooral uw adem niet blijven inhouden.Emiel Van BroekhovenDe auteur is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en voorzitter van de Vlaamse Federatie van de Beleggingsclubs en de Beleggers.Het percentage van het totale roerende vermogen van gepensioneerden dat in aandelen is belegd, ligt rond 70%.