De Griekse wijsgeer Plato merkte ooit schamper op dat democratie de slechtste regeringsvorm is, op tirannie na. Waar bij dat laatste systeem een enkeling alles beslist, is dat bij een democratie de massa. Uit onderzoek van de Economist Intelligence Unit blijkt dat minder dan de helft van de wereldbevolking in een democratie leeft (zie kaart). In de helft van die democratische landen blijkt de staatsvorm overigens niet eens goed te werken. Dat is het geval in enkele Centraal- en Oost-Europese economieën, zoals Kroatië.
...

De Griekse wijsgeer Plato merkte ooit schamper op dat democratie de slechtste regeringsvorm is, op tirannie na. Waar bij dat laatste systeem een enkeling alles beslist, is dat bij een democratie de massa. Uit onderzoek van de Economist Intelligence Unit blijkt dat minder dan de helft van de wereldbevolking in een democratie leeft (zie kaart). In de helft van die democratische landen blijkt de staatsvorm overigens niet eens goed te werken. Dat is het geval in enkele Centraal- en Oost-Europese economieën, zoals Kroatië. De Kroaten hebben er sinds hun toetreding tot de Europese Unie vorig jaar wel een nieuwe democratie bij. Tussen 22 en 25 mei mogen zo'n 400 miljoen EU-burgers kiezen welke landgenoten ze naar het Europees Parlement sturen. Hoe indrukwekkend dat ook mag klinken, het is niet de grootste democratische oefening uit de geschiedenis. Die eer is voorbehouden aan India, waar dit jaar tussen 7 april en 12 mei liefst 815 miljoen burgers 543 parlementsleden konden kiezen. Wat een hoogmis van betrokkenheid zou moeten zijn, lijkt evenwel steeds meer een oefening in onverschilligheid. In de EU zullen waarschijnlijk minder dan 160 miljoen burgers effectief de moeite doen om hun stem uit te brengen, en dat is dan nog kunstmatig hoog omdat sommige landen (waaronder België) een opkomstplicht hebben. De band van de burger met zijn nationale parlement is een stuk groter, maar ook hier is er een tanende interesse. Over heel Europa zit de opkomst bij stembusslagen in dalende lijn. Had Plato het wel bij het rechte eind? Er zijn niet-democratische regimes die veel betere resultaten kunnen voorleggen dan hun democratische tegenhangers. De Chinese economie met meer dan 1,3 miljard inwoners bijvoorbeeld, kent sinds 1993 een gemiddelde reële groei van 10 procent per jaar. De 1,2 miljard Indiërs moesten het in die periode stellen met een jaarlijkse toename van hun bruto binnenlands product (bbp) van maar 6,7 procent. Het is dan verleidelijk om te stellen dat het groeimodel van de autoritaire Communistische Partij beter in elkaar zit dan dat van de Indiase democratie. Dat is geen ordinaire toogpraat. Vooraanstaande economen zoals Robert Barro hebben in het verleden verklaard dat democratie niet cruciaal is voor economische groei, of zelfs dat het er een negatieve impact op heeft. Toch is dat een verkeerde analyse, zo blijkt uit nieuw onderzoek. De vraag is niet waarom China sneller groeit dan India, maar waarom het niet nóg sneller groeit dan nu het geval is. De omschakeling van een autoritair naar een democratisch regime zou het bbp met 20 procent kunnen verhogen in de eerstkomende dertig jaar. Die bevinding komt niet van de eerste de beste rekenmeester, maar van een groep academici rond Daron Acemoglu, dé expert in ontwikkelingspaden. De Turks-Amerikaanse econoom schreef samen met James Robinson het standaardwerk Why Nations Fail, wat hem op de radar van het Nobelcomité heeft gezet. De economen nemen in hun studie het wedervaren van 175 landen tussen 1960 en 2010 onder de loep en vinden wel degelijk een positieve impact van democratie op de economische groei. De kanalen waarlangs dat loopt, zijn bedrieglijk eenvoudig: democratie moedigt investeringen aan, zorgt voor een betere scholing, zet hervormingen in gang, leidt tot een betere publieke dienstverlening en zorgt voor minder sociale onrust. Feit blijft wel dat China nog altijd snel groeit zonder die lastige democratie. Waarom zou Peking dan van koers moeten veranderen? Die vraag laat een belangrijk aspect van economische ontwikkeling achterwege. De groeicijfers van China in de voorbije decennia doen immers denken aan die van de Sovjet-Unie tussen 1930 en 1970. Ook die waren benijdenswaardig, maar wel het resultaat van een gedwongen, meedogenloze transfer van middelen uit de landbouw naar de industrie. Zodra de grenzen van die industrialisering bereikt waren, stagneerde de Sovjet-Unie. Een soortgelijk gevaar bedreigt China. Dat heeft alles te maken met het onderscheid tussen inclusieve en extractieve instellingen. Bij die eerste heeft een brede laag van de bevolking politieke rechten en legt de overheid verantwoording af aan haar burgers, die ook de kans krijgen om zich economisch te ontplooien. Dat betekent dat de opbrengsten van de risico's die ze nemen hen ook ten goede komen. Er is dus respect voor het eigendomsrecht, ooit door Milton Friedman omschreven als 'het meest fundamentele van de mensenrechten en een essentiële basis voor andere mensenrechten'. De Sovjet-Unie was een land met extractieve instellingen, opgezet voor en door de elite. Alle mensen waren gelijk, maar sommigen een stuk gelijker dan de anderen, wat erop neer kwam dat een kleine groep van machthebbers zich schaamteloos kon verrijken op de kap van de rest van de bevolking. Dat wil niet zeggen dat er geen groei mogelijk is onder dergelijke regimes, maar wel dat er een rem op staat. Technologische ontwikkeling ligt dan wel aan de basis van economische groei, maar het zijn de politieke instellingen die de aard, snelheid en verspreiding van die veranderingen bepalen. Een essentieel kenmerk van extractieve instellingen is dat ze geen creatieve destructie toelaten. Het oude vervangen door het nieuwe zet de bestaande politieke machtsverhoudingen immers op losse schroeven. Dat schrikbeeld voor de gevestigde belangen verklaart waarom ze er zich zo hevig tegen verzetten. Er is ook vanuit de bevolking geen stimulans om een productieproces te verbeteren of te vervangen door iets radicaal nieuws omdat de opbrengsten toch niet aan het individu ten goede komen. Natuurlijk is China geen identieke kopie van de Sovjet-Unie, maar het valt toch op dat de sterke groei van de voorbije decennia er vooral gedreven is door het overnemen van bestaande technologieën gekoppeld aan goedkope arbeidskrachten. Niettemin kwam de hausse van de grond door de ingrijpende economische hervormingen van Deng Xiaoping die de maatschappij noodgedwongen beetje bij beetje inclusiever hebben gemaakt. Zo zijn er steeds meer eigendomsrechten en kan een groeiend aantal burgers kiezen waar en waarmee ze hun brood willen verdienen. De harde aanpak van corruptie door de partijfunctionarissen wijst er ook op dat het regime steeds meer rekening houdt met de besognes van de brede bevolking. Dat mag dan nog beperkt zijn, het is een beweging die niet zomaar om te keren valt. Het is koffiedik kijken of China een Sovjet-Unie 2.0 zal blijken waarbij de hervormingen uiteindelijk leiden tot het opbreken van de natie. Mocht dat gevaar dreigen, kan de Communistische Partij een soortgelijke implosie proberen te vermijden met een autoritairder en repressiever beleid, wat ten koste zal gaan van de economische groei. In democratische landen draaien verkiezingen vaak uit op moddergevechten tussen de partijen, maar dat is klein bier in vergelijking met hoe de machtsoverdracht onder extractieve regimes loopt. Zowat de hele geschiedenis van Latijns-Amerika illustreert dat ten voeten uit. Tot in de twintigste eeuw leidde dat tot economische stagnatie en politieke instabiliteit, burgeroorlogen en staatsgrepen. De meeste van die landen zijn pas in de jaren negentig echte democratieën geworden. Het meest schrijnende voorbeeld van hoe schadelijk extractieve regimes zijn, is misschien wel Congo. Op basis van zijn enorme voorraad grondstoffen zou de voormalige Belgische kolonie het rijkste land van de wereld kunnen zijn, en toch is de gemiddelde Congolees volgens cijfers van het Internationaal Monetair Fonds de armste wereldburger. Na de onafhankelijkheid in 1960 zogen opeenvolgend Joseph-Désiré Mobutu, Laurent-Désiré Kabila en Joseph Kabila het land verder leeg. Dat het afzetten van dictators geen vrijgeleide is naar een meer democratische toekomst is de voorbije jaren ook in Noord-Afrika en het Midden-Oosten uitvoerig bewezen. De Arabische lente creeerde de hoop dat landen die decennialang de speelbal waren van brute despoten zouden evolueren naar een inclusievere maatschappij. Enkele jaren later manifesteren zich evenwel exact dezelfde problemen: clans strijden er om de macht, de gewone man moet het lijdzaam ondergaan. Democratie is niet altijd perfect en is een werk van lange adem, maar is wel met een straat voorsprong te verkiezen boven de alternatieven. Daarom is het ook verontrustend dat zo weinig mensen die erin leven er nog warm voor lijken te lopen. Of in de woorden van Plato: 'de grootste straf voor het weigeren om deel te nemen aan politiek is dat het je minderen zijn die je regeren'. DAAN BALLEGEERDe vraag is niet zozeer waarom China sneller groeit dan India, maar waarom het niet nóg sneller groeit dan nu het geval is. Het afzetten van dictators is geen vrijgeleide naar een meer democratische toekomst.