Te weinig energie, te weinig grondstoffen, te weinig voedsel, te weinig infrastructuur, te weinig schone lucht. Het Westen, en de wereld als geheel, kampt met toenemende problemen langs de aanbodkant. Het keurslijf zit steeds strakker en remt de economische groei af. Lang, misschien te lang, kon de wereldeconomie genieten van lage prijzen voor energie en grondstoffen, met als keerzijde van de medaille te weinig investeringen in deze sectoren. Maar nu een vraagschok de wereld in snelheid neemt, krijgen we de factuur gepresenteerd. De kopzorg hoe we de exportproducten en de spaargelden uit de groeilanden kunnen absorberen (de VS kweet zich de voorbije jaren van die taak, maar vertilde zich er finaal aan), verandert nu snel in de nachtmerrie hoe de groeiende noden van China & co ingevuld kunnen worden. De globalisering heeft in korte tijd haar deflatoire kara...

Te weinig energie, te weinig grondstoffen, te weinig voedsel, te weinig infrastructuur, te weinig schone lucht. Het Westen, en de wereld als geheel, kampt met toenemende problemen langs de aanbodkant. Het keurslijf zit steeds strakker en remt de economische groei af. Lang, misschien te lang, kon de wereldeconomie genieten van lage prijzen voor energie en grondstoffen, met als keerzijde van de medaille te weinig investeringen in deze sectoren. Maar nu een vraagschok de wereld in snelheid neemt, krijgen we de factuur gepresenteerd. De kopzorg hoe we de exportproducten en de spaargelden uit de groeilanden kunnen absorberen (de VS kweet zich de voorbije jaren van die taak, maar vertilde zich er finaal aan), verandert nu snel in de nachtmerrie hoe de groeiende noden van China & co ingevuld kunnen worden. De globalisering heeft in korte tijd haar deflatoire karakter ingeruild voor inflatoire trekjes. Om de flessenhalzen weg te werken op het vlak van energie, voeding en milieu staat de wereld voor een grote opdracht: investeren, investeren en nog eens investeren. Op het eerste gezicht is er niet zo veel aan de hand. De wereld spaart en investeert dit jaar ongeveer 23 % van het wereldinkomen en de investeringsquote steeg de voorbije jaren (zie grafiek). Maar deze cijfers moeten gerelativeerd worden. De stijging van de investeringen is vooral te danken aan de economische inhaalrace die de groeilanden lopen en dus scherpen deze investeringen in de toekomstige consumptie de globale flessenhalzen nog aan in plaats van ze te verbreden. Meest acuut zijn bijkomende investeringen in de oliebevoorrading, waar bij monde van stijgende prijzen steeds luider de twijfel klinkt of er over enkele jaren nog voldoende olie opgepompt kan worden om de wereldeconomie te bevoorraden. De voorbije jaren werd al een pak meer geïnvesteerd in de oliesector, maar met dat geld kan steeds minder gedaan worden door sterk stijgende productiekosten. In reële termen wordt daarom niet gevoelig meer geïnvesteerd in de oliewinning in vergelijking met de voorbije jaren (zie grafiek). Het resultaat is dat er zonder bijkomende investeringen op termijn mogelijk maar maximaal 100 miljoen vaten per dag opgepompt kunnen worden (tegenover 87 miljoen vandaag). Over enkele jaren is dat al te weinig om iedereen tegen betaalbare prijzen te kunnen bevoorraden. De gevolgen van het krappere aanbod voelen we intussen dagelijks in de portemonnee. De inflatie stijgt, de koopkracht van de consument wordt afgeroomd. De duurdere invoerprijzen hebben het effect van een belastingverhoging, maar de opbrengst vloeit niet naar de eigen schatkist, wel naar het buitenland. Bovendien kennen we in België ons eigen aanbodprobleem: de toenemende schaarste van (geschoolde) arbeidskrachten in een vergrijzende samenleving. De groeivertraging kan misschien tijdelijk wat druk van de ketel halen, maar eens de economie herneemt, dreigt een dure en inflatoire strijd om talent los te breken die vooral de bedrijven veel geld kan kosten. De verleiding is groot om het koopkrachtverlies te compenseren met hogere overheidsbestedingen en/of lagere rentevoeten. Maar omdat de knoop gebonden ligt langs de aanbodkant, heeft het geen enkele zin om aan deficit spending te doen en/of de geldkraan open te draaien. Zo'n beleid zou enkel stagflatie oogsten. De VS worden weliswaar verplicht deze weg wel te bewandelen om een harde landing van de economie te voorkomen, maar opstekende inflatiezorgen beperken de houdbaarheidsdatum van dit beleid. Gelukkig is hier de kans klein dat de beleidsmakers de fouten van de jaren 70 herhalen. De Belgische regering kan het niet. Ze heeft de centen niet. En de Europese Centrale Bank wil het niet. In Frankfurt willen ze vooral de inflatieverwachtingen verankeren, zodat de looneisen binnen de perken blijven en een loonprijsspiraal in de startblokken blijft steken. Dat betekent niet dat ze in de Wetstraat rustig kunnen toekijken tot de economie herneemt of de olieprijzen afkoelen. Ook de Belgische economie kan een aanbodbeleid best gebruiken. De krapte op de arbeidsmarkt kan bijvoorbeeld aangepakt worden door meer te investeren in lagere lasten op arbeid, gefinancierd met besparingen op lopende uitgaven en uitkeringen. Als de olieschok wordt gevolgd door een arbeidsschok, dan kan de rekening heel hoog oplopen. (T) Daan Killemaes