Amsterdam.
...

Amsterdam.H et Oosten is één van de veertien woningcorporaties (zie kader) die Amsterdam rijk is. Niet de grootste - met ongeveer 17.000 woningen in haar bezit bengelt Het Oosten eerder achteraan het peloton - maar wel één van de opvallendste. Het Oosten staat bekend voor haar eigenzinnige en gedurfde keuzes in architectuur. In 1998 werd de corporatie hiervoor beloond met een Pyramide, een rijksprijs voor "excellent opdrachtgeverschap". Ondanks het rijke aanbod talentvolle Nederlandse architecten, durft Het Oosten ook over de grenzen kijken. Een van de eerste niet-Nederlandse architecten die voor Het Oosten mocht werken, was de Luikenaar Charles Vandenhove. "Het was een plezier om met hem samen te werken," vertelt Fer Felder, hoofd projectontwikkeling bij Het Oosten. "Hij heeft ook onze ogen geopend. Vandenhove liet ons zien dat bouwen in de stad ook anders kon." Het stadsvernieuwingsproject "De liefde" (aan de rand van de Amsterdamse grachtengordel) van Vandenhove (foto 1), een complex uit 1992 van honderd sociale woningen, lokte veel reactie uit in architectuur-minded Amsterdam. Modernisten vonden het maar niets zo'n klassiek bijna retro-achtig gebouw. Je bouwt op het einde van de twintigste eeuw toch niet meer zoals honderd jaar geleden, stelden ze. Fer Felder wijst ter verdediging op het monumentale karakter van het gebouw waardoor het mooi aansluit bij het bestaande stadsweefsel. Charles Vandenhove is voor Fer Felder ook dé exponent van wat hij "de ambachtelijke kwaliteit van de Belgische architecten" noemt. "Die kwaliteit zie je bijvoorbeeld goed in de gebogen raamkozijnen van dit gebouw," verduidelijkt hij. "In de Nederlandse volkswoningbouw moest alles sober en doelmatig zijn en was het ondenkbaar dat je een kozijn anders maakte dan twee latten met daartussen twee rechte dorpels."JAVA-EILAND.Nog meer Belgische architecturale aanwezigheid vinden we op Java-eiland, een smalle landtong in het oude oostelijke havengebied van Amsterdam. Op initiatief van de stad Amsterdam werd hier gestart met een uniek stadsuitbreidingsproject. Tussen de dichte lintbebouwing - een aaneenschakeling van gebouwen ontworpen door de fine fleur van het internationale architectuurwereldje - ook vier appartmentsgebouwen van Belgische architecten: drie van Bob Van Reeth en één, in opdracht van Het Oosten, van Jo Crepain. Het Wladiwostokgebouw van Crepain (foto 2) lag in concurrentie met projecten van vijf andere architecten, maar van bewonerszijde was er een uitgesproken voorkeur voor de Belgische architect. "Het is dus niet zo dat we als statement per se met Belgische of andere buitenlandse architecten willen werken," zegt Fer Felder. "Wij zoeken wel altijd architecten die passen bij het project." Iets verder, op KNSM-eiland, een ander deel van het oostelijk havengebied, staat nog een "Belgisch" complex van Het Oosten, het Barcelonaplein van Bruno Albert (foto 3). "Ook in dit gebouw merk je aan details als de onderdorpels, met die randjes en afrondingen, dat de architect dat belangrijk vindt. Bij een Nederlandse architect is het al goed als het afwatert." Het "gezellige" gebouw van Bruno Albert contrasteert sterk met de Pruisische strengheid van het complex ernaast, een gebouw van de bekende Berlijnse architect Koolhof. Fer Felder geeft wel toe dat het Koolhof-gebouw, eigendom van een andere corporatie, meer aanhang geniet in Nederlandse architectuurkringen. Bruno Albert ontwierp voor Het Oosten ook "De Miranda" (foto 4), een wooncomplex aan de stadsrand waarvan het gelijkvloers en de eerste verdieping zijn voorzien voor psychiatrische patiënten. Een grotere bereidheid om zich in te leven in de visie van de opdrachtgever is volgens Fer Felder het fundamentele verschil tussen Belgische en Nederlandse architecten. Fer Felder: "Nederlandse toparchitecten zijn veel meer geneigd om de opdrachtgever te overtuigen van hun ideeën. Een Belgische architect zal eerder trachten met zijn middelen uitdrukking te geven aan de opvattingen van de opdrachtgever."Een samenwerking met Belgische architecten leidt ook altijd tot nieuwe inzichten, vindt Fer Felder. "Oude gewoonten worden op die manier ter discussie gesteld en dat geeft een soort bevrijding."LV