Dertig jaar geleden formuleerde Howard Roth-mann Bowen, een Amerikaanse onderwijseconoom die onder meer voorzitter van enkele Amerikaanse colleges was, de zogenoemde wet van Bowen: "De kosten van het hoger onderwijs worden bepaald door de beschikbare middelen." Die economische wetmatigheid lijkt, zoals vaak, een tautologie, maar als je er dieper op ingaat, is het wel een interessante stelling. De wet van Bowen verklaart bijvoorbeeld waarom Amerikaanse colleges en universiteiten de jongste dertig jaar steeds meer hebben geconcurreerd op basis van hun reputatie en hun prestige dan met hun kwaliteit en hun prijs. Zo zijn de collegegelden in die periode verhoogd met zo'n 440 procent, zonder dat de kwaliteit van het onderwijs echt is verbeterd. In de Verenigde Staten lijkt de belangrijkste prikkel voor de topun...

Dertig jaar geleden formuleerde Howard Roth-mann Bowen, een Amerikaanse onderwijseconoom die onder meer voorzitter van enkele Amerikaanse colleges was, de zogenoemde wet van Bowen: "De kosten van het hoger onderwijs worden bepaald door de beschikbare middelen." Die economische wetmatigheid lijkt, zoals vaak, een tautologie, maar als je er dieper op ingaat, is het wel een interessante stelling. De wet van Bowen verklaart bijvoorbeeld waarom Amerikaanse colleges en universiteiten de jongste dertig jaar steeds meer hebben geconcurreerd op basis van hun reputatie en hun prestige dan met hun kwaliteit en hun prijs. Zo zijn de collegegelden in die periode verhoogd met zo'n 440 procent, zonder dat de kwaliteit van het onderwijs echt is verbeterd. In de Verenigde Staten lijkt de belangrijkste prikkel voor de topuniversiteiten het collegegeld zo veel mogelijk te verhogen. Die trend houdt ook de Britse universitaire wereld steeds meer in haar greep. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de afgelopen jaren juist in die landen alternatieve modellen van hoger onderwijs het licht zagen, waarbij de beste universiteiten hapsnap een wereldwijde digitale toegang tot hoger onderwijs aanbieden -- de massive open online courses (MOOC's). Het is de vraag in hoeverre de wet van Bowen ook niet in toenemende mate geldt voor wetenschappelijk onderzoek: ook daar lijkt te gelden dat de kosten worden bepaald door de beschikbare middelen. Zo is de totale geldmiddelenstroom naar onderzoek in het hoger onderwijs de jongste dertig jaar enorm gegroeid, zowel in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk als in België en Nederland. Gemeten als percentage van het bruto binnenlands product, is de middelenstroom bijna verdubbeld. En juist zoals bij de wet van Bowen ligt ook dat aan de basis van een wereldwijde wedloop in onderzoeksreputatie tussen universiteiten: een wedloop in internationale rankings gebaseerd op de omvang van de onderzoeksmiddelen, de aantallen publicaties en de aantallen citaten. Daarbij spelen succes en reputatie uit het verleden een hoofdrol. Zo behoren de beste Amerikaanse Ivy League- en de Britse Oxbridge-universiteiten sinds het ontstaan van de internationale universitaire rankings tot de wereldwijde top twintig. Dat contrasteert met de internationale rankings van ondernemingen, waar geregeld nieuwe namen verschijnen in de top. Maar er is verandering te bespeuren. Vorig jaar werd voor het eerst, naast de geaggregeerde universiteitsrankings, een gedesaggregeerde classificatie van het onderzoek van universiteiten voor zo'n 250 disciplines gepresenteerd (www.researchbenchmarking.org). Interessante lectuur. Er blijkt uit dat de bekende Amerikaanse en Britse universiteiten in de top twintig van de bekende, internationale rankings, in vrijwel alle 250 disciplines ook tot de beste 10 procent horen. Daarnaast zitten heel wat Europese universiteiten in de hoogste 10 procent van de gespecialiseerde disciplinegebieden. Met andere woorden: anders dan de totale dominantie van de Ivy League- en Oxbridge-universiteiten in wetenschap en onderzoek en hun ongenaakbare wereldreputatie, hebben veel Europese universiteiten zich slim gespecialiseerd in bepaalde gebieden, waarin ze behoren tot de absolute wereldtop. Dat wordt niet opgepikt in de geaggregeerde internationale rankings van universiteiten. Dat geldt trouwens ook in landen zoals Nederland en België. Maar dat is een onderwerp voor een andere bijdrage. Uit de afwezigheid van Europese universiteiten in de geaggregeerde wereldrankings concluderen nationale en Europese politici weleens dat die een gebrek aan internationale reputatie hebben. De nieuwe classificaties weerleggen dat beeld. Precies zoals bij bedrijven moet vernieuwing in de toekomst wellicht meer komen van gespecialiseerde, vernieuwende universiteiten dan van oudere spelers die hun middelen in de eerste plaats danken aan hun reputatie uit het verleden veeleer dan aan hun vernieuwing. De auteur is rector van de Universiteit Maastricht.LUC SOETE"De kosten van het hoger onderwijs worden bepaald door de beschikbare middelen"