Jim O'Neill beschouwt de wereldeconomie in 2036

Is China in economische omvang Amerika voorbijgestoken? Zijn de BRIC-economieën samen even groot als de G7? Bestaat de Europese Monetaire Unie (EMU) nog? En is Groot-Brittannië intussen toegetreden? Is het internationaal monetair systeem nog in iets vergelijkbaar met het stelsel van vandaag?
...

Is China in economische omvang Amerika voorbijgestoken? Zijn de BRIC-economieën samen even groot als de G7? Bestaat de Europese Monetaire Unie (EMU) nog? En is Groot-Brittannië intussen toegetreden? Is het internationaal monetair systeem nog in iets vergelijkbaar met het stelsel van vandaag? Volgens onze jongste prognoses is de Chinese economie groter geworden dan de Amerikaanse, wellicht tegen 2027 al. Maar wat betekent dat? China wordt dan wel groter dan de Verenigde Staten, maar het is nog lang niet zo vermogend. Het zal heel erg moeilijk zijn om dat te bereiken en het duurt nog decennia. De grotere omvang van China biedt enorme kansen voor het Chinese volk en de rest van de wereld omdat er meer geconsumeerd wordt, maar dat wil niet noodzakelijk zeggen dat China en zijn geplogenheden over heel de wereld in de armen worden genomen, iets wat in de voorbije 50 jaar wel het geval was voor Amerika naarmate dat land aan belang won. Het ziet er dus waarschijnlijk naar uit dat we in een multipolaire wereld zullen leven waarin de Verenigde Staten en de BRIC-landen een sleutelpositie innemen. De andere drie BRIC's - Brazilië, Rusland en India - worden elk apart ook alsmaar belangrijker voor iedereen van ons. Die economische ontwikkelingen geven aan dat er een behoorlijke kans bestaat dat het monetaire systeem aanzienlijk evolueert en dat de dollar iets minder dominant wordt. Het is denkbaar dat we het systeem van vlottende wisselkoersen opgeven omdat de BRIC-landen, en vooral dan China, niet even gelukkig zijn met het systeem als velen in het Westen. Het lijkt me dat de EMU niet kan overleven, in essentie een groep ongelijksoortige landen die hun wisselkoersen bij elkaar gebracht hebben, zonder de ernstige micro-economische aanpassingen door te voeren die nodig zijn om een ambitieuze monetaire unie vlot te laten functioneren. Om de EMU om te vormen, is in Europa waarschijnlijk een nieuwe leiderschapsgeneratie nodig die niet enkel beïnvloed wordt door de verschrikkingen van de voorbije eeuw. Verandering kan zich hoe dan ook voordoen en dat zou voor Groot-Brittannië een interessante situatie scheppen. Mocht er een ingrijpende hervorming van de Europese economieën plaatsvinden, ook in de arbeids- en productmarkten en in de instellingen, dan is het helemaal niet uitgesloten dat ook Groot-Brittannië deelneemt aan een zo'n unie. Als kind zou ik gezegd hebben dat we tegen 2036 ons zondags gebraad via futuristische capsules binnenkrijgen, maar als kok, campagnevoerder en vader neem ik voeding nu een pak ernstiger. In landen die ik geregeld bezoek - Groot-Brittannië, Amerika, Australië, Duitsland, Nederland - zetten de toenemende obesitas en voedingsgerelateerde ziekten een onhoudbare druk op de gezondheidszorg. Gebrek aan voedingskennis en kookvaardigheid, en de opkomst van goedkope bereide voeding, liggen ongetwijfeld aan de basis van die nieuwe epidemie. Tegelijk besef ik dat de wereldwijde voedselproductie een enorme impact heeft op het milieu. Tegen 2036 zijn er veel meer mensen op de planeet en niet genoeg voedsel, toch als we evenveel consumeren en voedsel blijven verspillen. Voeg daar nog landbouwoverproductie, overbevissing en de klimaatverandering aan toe, en dan vraagt u zich toch af of de ingrediënten van vandaag over 25 jaar nog beschikbaar zijn. Ik ben ervan overtuigd dat de beste manier om de toekomst tegemoet te treden en de voedingsgerelateerde problemen aan te pakken erin bestaat de mensen te wapenen met kennis en vaardigheden. Hoe meer mensen voeding begrijpen, hoe waarschijnlijker het wordt dat ze er ook respect voor opbrengen. Het mooie aan culinaire kennis is dat ze u helpt om flexibel, soepel en vindingrijk te zijn, wat ook de ingrediënten zijn die u voor u hebt. Omdat ik positief wil blijven, geloof ik dat de toekomst van onze voeding er goed voor staat, op voorwaarde dat de overheid, de retailers en de consumenten samenwerken om meer nadruk te leggen op voedingseducatie bij zowel kinderen als volwassenen. Als we nu de nodige zware inspanningen leveren, zijn we beter uitgerust om de toekomst aan te vatten, hoe die er ook moge uitzien. In 2009 werd ik de snelste mens ter wereld nadat ik op het wereldkampioenschap atletiek in Berlijn 9,58 seconden liet afklokken op de 100 m. Dat was voor mij als jonge Jamaïcaan een geweldige prestatie. De atletiekwetenschap geeft echter aan dat de tijden nog sneller zullen worden. Wat zal de eindtijd zijn op de Olympische Spelen van 2036? Wetenschapslui hebben al verschillende pogingen ondernomen om te berekenen, en bij uitbreiding te voorspellen, hoe snel de mens kan lopen. Over een kwarteeuw zal de mens misschien de 100 meter kunnen afleggen in 9,00 seconden. Ongelooflijk! Lang voor die tijd is het echter mijn diepste wens dat dopingmisbruik volledig uit de atletiek gebannen wordt en dat de atleten de kans krijgen om op een faire wijze met elkaar te wedijveren. Sociale netwerken hebben al een diepe impact gehad op de wijze waarop we informatie gebruiken en delen. Tegen 2036 zullen de sociale netwerken ook de aard van onze relaties en de wijze waarop we met mensen omgaan veranderd hebben. Onderzoek heeft al meermaals uitgewezen dat mensen met goede relaties productiever en emotioneel meer bevredigd zijn en een grotere zelfachting hebben. In de nieuwe sociale wereld zullen de mensen 500 sociale contacten onderhouden, in plaats van de 125 die ze hadden sinds de uitvinding van de telefoon. Deze generatie zal oude vrienden en oude schoolkameraden niet uit het oog moeten verliezen. Waarom? In minder tijd dan nodig is om een kerst- of verjaardagskaartje te kopen, te schrijven en te versturen naar een enkele persoon, zal u nieuws of een geschenk kunnen versturen naar uw hele sociale omgeving. Voor de digitale generatie die geen onderscheid maakt tussen 'reëel' en 'virtueel' of tussen 'offline'- en 'onlinevrienden', is dat een levensveranderaar. So-ciale netwerken zullen mensen een veel bredere toegang geven tot informatie, waar ze zich ook bevinden. Gsm's kunnen dan ook hun eigen sociale netwerken hebben die u informatie bezorgen over al uw contacten die zich in dezelfde kamer in uw nabijheid bevinden. Denk daarbij aan een futuristische versie van de presidentiële attaché die zijn baas gegevens in-fluistert over de persoon die op het punt staat zijn hand te drukken. Op een cocktailparty zult u nooit meer sprakeloos zijn. Meer dan een eeuw geleden merkte Nietzsche op: "Al bijna 2000 jaar en nog altijd geen nieuwe god!" En inderdaad, hoewel er elk jaar honderden nieuwe religies ontstaan en verdwijnen, is het al eeuwen geleden dat er nog eens een grote godsdienst neerstreek op de planeet. . Onze religieuze orde werd gevormd in wat Karl Jaspers het 'axiale tijdperk' noemde. De buitengewone periode tussen 800 voor Christus en 200 na Christus. Toen ontstonden monotheïstische godsdiensten en tegelijk verscheen het boeddhisme, het confucianisme en bloeide de Griekse filosofie. Jaspers' axiaal tijdperk vertoont grote gelijkenissen met vandaag. Het was een tijd die gekenmerkt werd door vernieuwing in het bestuur, het vervoer en de communicatie. De aangroei van de bevolking schiep nieuwe uitdagingen die politieke innovaties vergden. Nieuwe zeevaarttechnieken vormden de zeeën om van hindernissen tot snelwegen voor ideeën die met de handelswaar meereisden naar nieuwe landen. De intellec-tuele gisting die daarop volgde, leidde tot nieuwe wereldbeelden, nieuwe onzekerheden en... nieuwe godsdiensten. Drie vormen van technologie hebben ons vandaag op de rand van een nieuwe axiale verschuiving gebracht. Het luchtverkeer heeft hele bevolkingen een ongekende mobiliteit bezorgd, containers leveren een overvloed aan producten uit alle hoeken van de wereld en cyberspace is uitgegroeid tot een ongeremde verspreiding van ideeën. Voeg daar het gebruikelijke snuifje menselijke misère ten gevolge van oorlog, revolutie en natuurrampen aan toe en het resultaat is een krachtige culturele petrischaal waaruit een nieuwe god te voorschijn kan springen. Als we vanuit 2036 terugkijken, dan zien we dat het internet inderdaad alles veranderd heeft. Miljarden mensen gingen samenwerken op elk denkbaar interessegebied. De wereld begon aan de historische overgang van industrieel kapitalisme naar een nieu-we soort economie die stoelde op netwerken, nieuwe principes en nieuwe manieren om waarde te scheppen. Het web bracht diepgaande veranderingen teweeg in de structuur van de onderneming. Het oude bedrijfsmodel - hiërarchisch, gesloten en verticaal geïntegreerd - maakte plaats voor businesswebs waarin nichebedrijven zich aansloten bij andere om te innoveren en waarde te creëren. Sociale netwerken werden sociale productiecentra. De eerste democratiegolf bracht verkozen en betrouwbare overheidsinstellingen tot stand, maar met volgzame burgers. Het internet schiep een tweede golf die gekenmerkt werd door een cultuur van open overleg, steunend op actief burgerschap. Er zijn nog altijd universiteiten, maar het gezamenlijk leren heeft de lezingen vervangen. Gemeenschappelijke gezondheidszorg heeft het oude paternalistische model aan de kant gezet en miljoenen patiënten nemen de verantwoordelijkheid op voor een groot deel van hun eigen gezondheid. Ze delen informatie en knowhow en op die manier drukken ze de kosten en bezorgen ze de wetenschap een oneindig aantal gegevens. De massale samenwerking heeft geleid tot een knap energienetwerk waarin de meeste mensen tegelijk producenten en consumenten zijn. Achteraf bekeken, was de grote recessie van 25 jaar geleden de katalysator waardoor de wereld zichzelf opnieuw begon uit te vinden. Als het over technologie gaat, is 25 jaar vooruitkijken een linke zaak. Er vinden voortdurend veranderingen plaats en prognoses blijven zelden overeind. Wat wel nuttig kan zijn, is even terugreizen in de tijd. Vijfentwintig jaar geleden begon ik aan een loopbaan als technologie- en mediajournalist en ondernemer. De pc was toen nog een dreumes, het internet was pure sciencefiction. Microsofts 'elk bureau zijn pc' leek een verre droom en de Macintosh vierde onder de hoede van een jonge kerel, genaamd Steve Jobs, zijn eerste prille verjaardag. Als u me in 1985 gezegd had dat we tegen 2010 zouden beschikken over een robuust commercieel internet, ontspanning op aanvraag in elke woning en communicatieapparaten in onze zak die krachtiger zijn dan supercomputers, dan zou ik waarschijnlijk de schouders opgehaald hebben. De voortekenen waren toen al overduidelijk: de pc, wereldwijde onlinediensten als CompuServe en een telefoon in de auto waren er toen al. Een beetje verbeelding en een redelijke dosis optimisme waren genoeg om de verdere evolutie te onderkennen. En wat zijn dan de voorbodes vandaag? Ik denk dat er slechts één is: het alomtegenwoordige web. Onze maatschappelijke identiteit zal voor een groot deel bepaald worden door het percentage van onze tijd dat we online zijn. Het zal niet meer dan normaal lijken dat iedereen te allen tijde weet waar we ons bevinden. Privacy zal hoogst waardevol zijn, openbaarheid goedkoop. Ondernemingen zullen rechtstreeks in gesprek gaan met hun klanten. Grote merken zullen krachten inzamelen, kopen of bundelen om mediaplatforms voor de klanten in het leven te roepen. Die platforms zullen niet beheerd worden door merken, maar door wat we tegenwoordig verstaan onder 'talent'. Onze interactie met elektronische apparaten zal grotendeels gebeuren via spraak en gebaren. Het gebruik van een toetsenbord zal beschouwd worden als een anachronisme. Google, Facebook, Apple en Twitter, ten slotte, zullen binnen een kwarteeuw verdrongen zijn door ondernemingen die nu nog moeten opgestart worden. Er zijn nog altijd mensen die geloven dat design alleen dient om dingen, mensen en plekken mooi te maken. In werkelijkheid heeft design zich als een strovuurtje verspreid over alle facetten van de menselijke activiteit, van wetenschap en onderwijs tot politiek en beleidsvorming. Om de eenvoudige reden dat een van de fundamenteeelste opdrachten van design erin bestaat de mensen te helpen omgaan met verandering. Ontwerpers staan halfweg tussen revolutie en het dagelijkse leven. Toen het internet opdook, zorgden zij voor interfaces met knoppen en hyperlinks die iedereen toelieten om het te gebruiken. Designers maken ingrijpende innovaties beheersbaar en toegankelijk, zodat ze in het dagelijks leven aangenomen en geassimileerd kunnen worden. En daarbij vergeten ze functionaliteit en elegantie nooit uit het oog. Over 25 jaar beheersen de designers dat knooppunt. Ze zullen niet opgesloten zitten in hun enge specialiteit (grafiek, product, meubels, dat is zo twintigste-eeuws!). Integendeel, net als in de natuurkunde, bestaat er een los onderscheid tussen theoretisch en toegepast design. Theoretische designers zijn uitmuntende generalisten, een beetje zoals de Franse filosofen, maar ze zijn dan wel bereid om de mouwen op te stropen. Toegepaste ontwerpers maken structuren en systemen zichtbaar zodat de wetenschapslui, de beleidsmakers en het brede publiek ze kunnen begrijpen en beïnvloeden. Ze voeren or-ganisatie en gezond verstand in de productie van consumptiegoederen in. Dat grootse tijdperk is nu al begonnen. Design begint een centrale plaats in te nemen in de eeuwige queeste van de mens om uit noodzaak schoonheid te scheppen. Hoeveel tropische orkanen duiken er volgend jaar op uit de Atlantische Oceaan? In 1970 zou het antwoord 122 geweest zijn, maar dat aantal nam de jongste 25 jaar spectaculair toe. Is dat een aanwijzing de klimaatwijziging die door de mens werd veroorzaakt? Mogelijk, want wervelstormen halen hun energie uit de oceanen en die lijken onder menselijke invloed op te warmen. Het aantal orkanen varieert ook op natuurlijke wijze. Het ziet er naar uit dat de temperatuurpatronen in de oceanen wereldwijd het aantal wervelstormen bepalen. Dat komt omdat wervelstormen ook gevoelig zijn voor winden in de bovenste atmosfeer, die stormen in plakken snijden als ze te hard blazen zodat ze zich niet meer kunnen ontwikkelen tot wervelstormen. En de winden in de hogere atmosfeer boven de orkaangebieden worden beïnvloed door omstandigheden in verafgelegen oceanen, vooral de Noord-Atlantische en de tropische Stille Oceaan. Als we de veranderende temperatuurpatronen van de oceanen zouden kunnen voorspellen, kunnen we ook het aantal wervelstormen voorspellen. We zouden dan ook verwoestende meerjarige droogteperioden kunnen voorspellen, zoals die in de Sahel van de jaren zeventig en tachtig, of de waarschijnlijkheid dat de noordwestelijke doorvaart ijsvrij wordt, wat poolroutes mogelijk maakt. Klimaatwetenschappers doen op dit ogenblik ernstige inspanningen en houden daarbij rekening met de verwachte menselijke invloeden en natuurlijke va-riaties. Ze beginnen bij de bestaande temperatuurpatronen van de oceanen, net zoals het weerbericht van morgen moet vertrekken van de waarnemingen van vandaag. Het succes zal afhangen van een beter begrip van de klimatologische processen, van de voortdurende toename van computercapaciteit (wat leidt tot nauwkeuriger klimaatmodellen) en van aanhoudende waarnemingen, vooral onder het oppervlak van de oceanen. 25 jaar geleden bevonden de weervoorspellers zich in dezelfde situatie. Het ziet ernaar uit dat de volgende generatie planologen en beleidsmakers gebruik kan maken van steeds accuratere klimaatvoorspellingen. Paradoxaal genoeg kunnen langetermijnprognoses gemaakt worden op basis van het voorkomen van voorspellingsfouten. Een systeem dat te veel afhankelijk is van voorspelling - door leverage, zoals het banksysteem- en dus kwetsbaar voor onvoorziene 'zwartezwaangebeurtenissen', breekt uiteindelijk in stukken. Ook al kan het lang duren voor een wankele brug instort, toch moeten 25 jaar in de 21ste eeuw voldoende zijn om verborgen risico's zichtbaar te maken. Connectiviteit en operationele hefboomwerking maken dat culturele en economische gebeurtenissen elkaar steeds sneller en ingrijpender opvolgen. Alles wat vandaag broos is, is tegen die tijd stuk. De grote topdown nationale staat zal enkel nog op-pervlakkig in leven zijn, verzwakt door deficits, verkeerde inschattingen door politici en de uitvergroting van fouten door gecentraliseerde systemen. Het robuuste premodernistische model van stadsstaten en ministaatjes krijgt weer de overhand en daarmee ook de obsessieve budgettaire omzichtigheid. Het kan zijn dat valuta nog altijd bestaan, maar na de rampzalige ervaringen van de Amerikaanse Federal Reserve, pinnen ze zich vast op een regeringsloze waarde-eenheid, zoals het goud. Vele ondernemingen die op dit ogenblik groot zijn, zullen verdwijnen. De bedrijven die overleven, zullen meer zwartezwaanbestendig, kleiner, familiaal, niet-beursgenoteerd en schuldenvrij zijn. De meeste technologieën die nu 25 jaar oud en ouder zijn, zullen nog bestaan; bijna alles wat jonger is en 'efficiëntie biedt' zal verdwenen zijn, verdrongen door concurrerende technologie of geleidelijk vervangen door de robuustere archaïsche modellen. De auto, het vliegtuig, de fiets, de videoloze telefoon, de espressomachine en, gelukkig, de kamerbrede boekenplank, zullen nog altijd bij ons zijn. De wereld zal geconfronteerd worden met hevige biologische en elektronische pandemieën, en ook dat is een geschenk van de globalisering. De godsdienstige beleving zal een wederopstanding kennen. De wetenschap zal steeds minder vooruitgang maken op het niet-lineaire domein, ondanks de enorme middelen die ze opslokt. Miljoenen - misschien wel miljarden - leiders. Dat is wat ik in 2036 zie of althans hoop te zien. Tussen nu en dan zullen de ondernemingen verschrikkelijk op de proef gesteld worden: landen met een vergrijzende actieve bevolking die gebruik trachten te maken van het hefboomeffect van de ondernemende energie van jongere arbeidsreserves in plekken als China en India, bijvoorbeeld. Die problemen zullen ingehaald worden door andere kwesties, net op het moment dat we leren omgaan met de oude. Wat zal de vernieuwing uitlokken om ook die nieuwe problemen aan te pakken? Ik ben van oordeel dat het antwoord moet worden gezocht bij een nieuwe organisatievorm. De hiërarchische piramide is niet geschikt om de uitdagingen van morgen aan te gaan. We hebben integendeel nood aan organisaties waarin vertrouwen, steunend op transparantie, een cultuur van permanente vernieuwing schept; waarin managers evenveel rekenschap verschuldigd zijn aan hun werknemers als de werknemers aan hun bazen; waarin de verantwoordelijkheid voor verandering afdaalt naar de rangen van de jonge medewerkers. We hebben nood aan organisaties die hun 'personeel eerst' plaatsen om aan de onderkant van de piramide de vernieuwing aan te drijven. In plaats van individuen die een leidinggevende positie innemen, treden verschillende mensen - naargelang van de omstandigheden en hun specifieke aanleg - naar voren om leiding te geven. Ik ben ervan overtuigd dat we naar een organisatiestructuur gaan waarbij de vernieuwingdrift en het leiderschapstalent van het individu de vrije loop krijgt om collectief de problemen van de volgende kwarteeuw op te lossen. Vineet Nayar: CEO van HCL Technologies, en auteur van "Employees First, Customers Second" (Harvard Business Press) Jim O'Neill: voorzitter van Goldman Sachs Asset Management; Jamie Oliver: chef-kok, restauranthoude