In 1954, in de dageraad van het tijdperk van de atoomkracht, beloofde het hoofd van de Atomic Energy Commission Lewis Strauss dat we een periode zouden binnentreden waarin elektriciteit "te goedkoop om op te meten" zou zijn. Dat gebeurde echter niet, vooral omdat de risico's van de kernenergie de kosten enorm opjoegen. Maar wat indien elektriciteit inderdaad virtueel gratis was geworden?
...

In 1954, in de dageraad van het tijdperk van de atoomkracht, beloofde het hoofd van de Atomic Energy Commission Lewis Strauss dat we een periode zouden binnentreden waarin elektriciteit "te goedkoop om op te meten" zou zijn. Dat gebeurde echter niet, vooral omdat de risico's van de kernenergie de kosten enorm opjoegen. Maar wat indien elektriciteit inderdaad virtueel gratis was geworden? Het antwoord op die vraag is dat alles wat met elektriciteit in aanraking was gekomen - en dat is omzeggens bijna alles - getransformeerd zou zijn geweest. We zouden elektriciteit gebruiken voor zoveel mogelijk zaken en we zouden haar kunnen verspillen omdat ze zo goedkoop zou zijn, dat het de moeite niet was om ons zorgen te maken over efficiëntie. Alle gebouwen zouden elektrisch verwarmd worden. We zouden allemaal in elektrische wagens rijden. Ontziltingsinstallaties zouden zeewater in elke gewenste hoeveelheid in drinkbaar water omzetten om uitgestrekte landerijen te irrigeren en woestijnen om te toveren tot vruchtbare akkers waarop in vele gevallen biobrandstoffen geteeld zouden worden. Vergeleken bij de gratis elektronen zouden fossiele brandstoffen beschouwd worden als belachelijk duur en vuil, met als gevolg dat de koolstofuitstoot drastisch zou verminderen. De term 'opwarming van de aarde' zou nooit binnengedrongen zijn in het taalgebruik. Klinkt dat onwaarschijnlijk? Een dergelijke transformatie is op dit ogenblik al bezig, maar niet rond elektriciteit. Wat wél te goedkoop wordt om op te meten, is rekenvermogen, opslagruimte, bandbreedte en alle andere technologieën die de digitale revolutie mogelijk maken. Dankzij de exponentiële verdubbeling volgens de wet van Moore en zijn equivalent voor harde schijven en communicatiemedia, glijdt de kostprijs van een gegeven reken-, opslag- of transmissie-eenheid onverbiddelijk naar nul. Een van de eersten om dat op te merken en te peilen naar de eventuele gevolgen was een professor van Caltech, Carver Mead genaamd. Eind jaren zeventig was hij aan het nadenken over de verbazingwekkende leercurve die de combinatie van kwantummechanica en informatiewetenschap op de oppervlakte van plakjes silicium aan het schetsen was. Net als Moore vóór hem, merkte hij dat het ritme van verdubbeling van de prestaties om de achttien maanden zich zo ver men kon zien zou voortzetten. Hij ging nog een stap verder en onderzocht wat dat inhield voor computers en hij realiseerde zich dat we moesten beginnen met ze te 'verspillen'. Verspillen is een lelijk woord en dat was zeker zo in de jaren zeventig en tachtig. Er was intussen een hele generatie computervaklui aangetreden die net het tegenovergestelde aan het doen waren. Achter de glazen gevels van de computerbedrijven uit het mainframetijdperk lieten ze hun macht gelden en beslisten ze welke programma's op de dure rekenmachines zouden mogen draaien. Een van de discipelen van Mead was Alan Kay, die in het onderzoekscentrum van Xerox werkte. In plaats van transistors te blijven voorbehouden voor de centrale bewerkingsfuncties, ontwikkelde hij een computer die hun vermogen lichtzinnig toebedeelde aan het uittekenen van icoontjes, vensters, cursors en zelfs bewegende tekeningetjes op het scherm. De bedoeling van die losbandige oogstreling? Het verhoogde het gebruiksgemak voor gewone mensen, een voordien verwaarloosde doelgroep. Het werk van Kay vormde de inspiratie voor de Apple Macintosh, die de wereld veranderde door de computer voor de eenvoudige sterveling bevattelijk te maken. Vandaag gebeurt net hetzelfde met zaken gaande van bandbreedte tot gegevensopslag. De leercurves van de technologie hebben de prijzen tot een nooit gezien peil teruggebracht. De kostprijs voor het opslaan of doorsturen van een kilobyte gegevens is nu zo laag geworden dat hij niet echt meer gemeten kan worden. Spoedig zal hetzelfde gelden voor de megabyte en kort daarna ook voor de terabyte. En het internet raakt intussen al een even groot deel van onze economie als de elektriciteit deed toen Lewis Strauss zijn voorspelling deed. Bandbreedte die te goedkoop is om te meten, heeft YouTube ons gebracht, dat de traditionele tv-sector radicaal aan het veranderen (en misschien zelfs aan het vernietigen) is, en Skype, dat de telefoonsector aan het uithollen is. Opslagcapaciteit die te goedkoop is om te meten, heeft Gmail ons gegeven, dat in 2004 de webmailmarkt op zijn kop zette door - gratis - de capaciteit voor elke gebruiker met factor duizend te verhogen. En dan hebben we het nog niet gehad over de enorme gratis opslagcapaciteit van Flickr of de uitnodiging van MySpace om op uw persoonlijke webpagina om het even wat te zetten zonder dat het u een cent kost. Vóór de iPod was er niemand die vroeg om zijn hele muziekcollectie te kunnen meenemen in zijn binnenzak. Maar Steve Jobs en een paar anderen bij Apple begrepen de economische wetmatigheden van overvloedige opslagcapaciteit. Ze zagen in dat voor hetzelfde geld de capaciteit van de harde schijven zelfs sneller toenam dan het vermogen van computerprocessors. Dat werd niet aangedreven door een vraag naar massieve muziekcollecties, maar wel degelijk door fysica en engineering. Iedereen kon de curven extrapoleren en nagaan wat er achter de horizon lag, maar alleen de ingenieurs van Apple 'luisterden naar de technologie', om de woorden van Mead te gebruiken, en ze zagen dat het tegen 2001 mogelijk zou zijn om tienduizend liedjes op een schijfje te zetten dat kleiner is dan een pak speelkaarten. Op het internet van vandaag draait het dominante bedrijfsmodel rond geld verdienen door dingen weg te geven. Een groot deel daarvan komt gewoon neer op het traditionele mediamodel waarbij gratis content gebruikt wordt om een publiek op te bouwen en de toegang tot dat publiek te verkopen aan adverteerders. Een toenemend deel valt echter ook binnen het gratis-monstermodel: omdat het zo goedkoop is om digitale diensten online aan te bieden, maakt het niet uit of 99 % van uw klanten gebruikmaken van de gratis versie van uw diensten, op voorwaarde dat er 1 % overblijft die betaalt voor de 'premiumversie'. Want alles bij elkaar is 1 % van een groot aantal ook een groot aantal. In 2008, het jaar van Gratis met een grote G, zal Yahoo! nog een stap verder gaan dan Google en zijn gratis webmaildienst tot in het oneindige uitbreiden. Steeds meer muzieklabels zullen nummers weggeven om concerten te promoten, nadat Prince in 2007 zijn album gratis distribueerde in de Britse Daily Mail en Radio- head de fans toeliet om zelf de prijs te bepalen - voor niets zelfs als ze dat wensten - als ze het jongste album downloadden. Steeds meer kranten zullen hun inhoud gratis op het internet zetten. Uit dat alles treedt een patroon te voorschijn. Als de kostprijs om een enkele klant te bedienen naar nul neigt, zullen snuggere bedrijven niets meer aanrekenen. Het motto van de ontkrachter luidt: "Wees de eerste om gratis weg te geven waarvoor anderen geld vragen". En als u naar de technologie luistert, zult u inzien dat die slogan steek houdt. DE AUTEUR IS HOOFDREDACTEUR VAN WIRED MAGAZINE EN AUTEUR VAN 'THE LONG TAIL'. Door Chris Anderson/Illustratie: Jan Van Der Veken