AANGENAAM IS DE DISCUSSIE over de houdbaarheid van het wettelijk pensioen niet. Terwijl de analyse van de oorzaken van het pensioenprobleem vrij algemeen wordt aanvaard, heerst onenigheid over de oplossingen. Over het uitgangspunt - de omvang van de financiële pensioenkloof - wordt nooit gediscussieerd.
...

AANGENAAM IS DE DISCUSSIE over de houdbaarheid van het wettelijk pensioen niet. Terwijl de analyse van de oorzaken van het pensioenprobleem vrij algemeen wordt aanvaard, heerst onenigheid over de oplossingen. Over het uitgangspunt - de omvang van de financiële pensioenkloof - wordt nooit gediscussieerd. De jaarverslagen van de Studiecommissie voor de vergrijzing geven een zeer wazig beeld van de komende stijging van de vergrijzingskosten. Zo staat in het jongste verslag dat de vergrijzingskosten tegen 2060 met 2,3 procent van het bruto binnenlands product (bbp) zullen toenemen. Een allesomvattend beeld van de diepte van de pensioenput in de komende decennia wordt nooit vermeld. Zelf becijferden we dat de schuldquote van de overheid zal toenemen met meer dan 100 procent van het bbp, als de stijging van de vergrijzingskosten door extra schulden wordt gefinancierd. Dat is om vele redenen onhaalbaar. EEN TWEEDE BELANGRIJK probleem is dat de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd de werkgelegenheid - volgens de Studiecommissie - spectaculair doet stijgen, wat de toename van de vergrijzingskosten zou halveren: tot het jaarverslag van 2014 zou de schuldtoename door de vergrijzingskosten meer dan 200 procent van het bbp bedragen. Waarom de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd in ons land de werkgelegenheid met 5 procent verhoogt en in Nederland slechts met 1 procent, blijft een onbeantwoorde vraag. Toch is dat van fundamenteel belang voor het uitstippelen van een pensioenbeleid. Dat belangrijke werkgelegenheidseffect wekt de indruk dat beleidsmatig wordt gerekend op de verdere verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd in 2040 om de pensioenen te financieren. Mocht het werkgelegenheidseffect van de enige belangrijke pensioenmaatregel van deze regering beperkter zijn dan ingeschat, dan valt de oplossing van het pensioenprobleem moeilijk in te schatten. DAT DE MACRO-ECONOMISCHE cijfers niet zorgen voor een urgentiegevoel, komt doordat de aandacht uitgaat naar 2060, wat voor beleidsvoerders de eeuwigheid is. Bovendien wordt al decennia gezeurd over de pensioenproblemen, zonder dat er afdoende maatregelen worden genomen. Het ligt nogal voor de hand dat mensen dan niet meer onder de indruk zijn. Helaas kunnen de ingrepen niet lang meer worden vooruitgeschoven. De moeilijkheid om de begroting in evenwicht te brengen illustreren dat het Belgische besparingsbeleid tegen zijn limieten botst. De kaasschaafmethode, waarmee jarenlang op alle posten iets is gesnoeid, biedt het voordeel dat er geen belangrijke beleidskeuzes hoeven te worden gemaakt, maar ze heeft als nadeel dat de overheid in essentie hetzelfde blijft doen als vele decennia geleden met, relatief gesproken, minder middelen. De onvrede over de kwaliteit van de vele overheidsdiensten en de roep om bijkomende middelen voor onderwijs, zorg en infrastructuur zijn daar een logisch gevolg van. Financiële mogelijkheden om daaraan te verhelpen, zijn er niet en zullen er in de toekomst, als dit beleid wordt voortgezet, ook niet komen. ALS DE VOORUITZICHTEN van de Studiecommissie uit 2002 zouden zijn gerealiseerd, dan zou de schuldquote vandaag meer dan 25 procent van het bbp lager liggen. De voorbije vijftien jaar zijn dus belangrijke kansen gemist. De voorbije jaren werden de problemen van de pensioenen niet kleiner door een proactief beleid, maar verergerden ze door het lakse begrotingsbeleid. Mocht de vergrijzing de enige belangrijke financiële bekommernis van de overheid zijn, dan zou die taak moeilijk, maar wellicht haalbaar zijn. Dat vele andere uitdagingen aanspraak maken op de zeer beperkte budgettaire mogelijkheden, maakt van het toekomstige budgettaire beleid een onontwarbare knoop. Belangrijke structurele ingrepen zijn noodzakelijk, ook in het pensioendossier. Dat de ingrepen pijn doen, is onvermijdelijk. Hoe eerder de pensioenwaarheid wordt aanvaard, hoe minder pijnlijk de ingrepen zullen zijn.