In september 2009 hing het Amerikaanse bedrijfsleven in de touwen. Van de tien grootste beursgenoteerde ondernemingen, gemeten naar beurswaarde, waren er amper drie Amerikaans: Exxon Mobil, Microsoft en Walmart. De lijst werd gedomineerd door gigantische overheidsbedrijven als PetroChina, China Mobile en de Chinese bank ICBC. Petrobras, de olie- en gasmaatschappij die gerund wordt door de Braziliaanse regering, was net binnengeslopen op plaats negen.
...

In september 2009 hing het Amerikaanse bedrijfsleven in de touwen. Van de tien grootste beursgenoteerde ondernemingen, gemeten naar beurswaarde, waren er amper drie Amerikaans: Exxon Mobil, Microsoft en Walmart. De lijst werd gedomineerd door gigantische overheidsbedrijven als PetroChina, China Mobile en de Chinese bank ICBC. Petrobras, de olie- en gasmaatschappij die gerund wordt door de Braziliaanse regering, was net binnengeslopen op plaats negen. Dat paste allemaal in een aannemelijk verhaal: Amerika was in verval na de subprimecrisis, het private kapitalisme werd opzijgeschoven door het staatskapitalisme en er deed zich een onverbiddelijke machtsverschuiving naar de opkomende wereld voor. 2009 was het dieptepunt voor de Amerikaanse ondernemingen. De herrijzenis sindsdien is opmerkelijk. Negen van de waardevolste tien ondernemingen zijn weer Amerikaans. Het is een decennium geleden dat het land nog zo dominant was. Nu de Amerikaanse economie weer is aangewakkerd -- niet het minst door het goedkope schaliegas -- en de aandelenmarkt nieuwe toppen bereikt, hangt er weer optimisme in de lucht, en de grote jongens beginnen zich te roeren. Op 2 september kondigde de telecomgigant Verizon aan dat hij zijn Britse partner, het ooit allesverslindende Vodafone, wilde uitkopen om de volledige controle te verwerven over zijn draadloze activiteiten. Die deal van 130 miljard dollar is de derde grootste ooit en tegelijk het bewijs van de diepgang en de sofisticatie van de westerse kapitaalmarkten. Een dag later maakte Microsoft bekend dat het Nokia's noodlijdende gsm-tak overnam. Op zijn hoogtepunt, dertien jaar geleden, was Nokia de zestiende onderneming ter wereld. Een land heeft geen reusachtige ondernemingen nodig om succesvol te zijn. De kracht van Duitsland schuilt in zijn middelgrote ondernemingen, Canada gedijt in een kolosvrije omgeving. Een dominerende positie kan ook snel wegdeemsteren. In mei 1987, net voor de Japanse banken slagzij maakten, leverde het land acht van de tien topondernemingen. In 2000, toen de dotcomzeepbel scheuren begon te vertonen, stonden de twee technologiereuzen Cisco en Oracle nog in de top tien. Tussen 2005 en 2007 schoven Citigroup, AIG en Bank of America in en uit de top tien, maar tegen het einde van het decennium moesten ze alle drie met belastinggeld gered worden. Toen er bij het begin van het daaropvolgende decennium sprake was van een door de Chinese vraag aangedreven 'supercyclus' in grondstoffen trad de Australische mijnmaatschappij BHP Billiton toe tot de top tien. Nu is ze teruggevallen tot de 27ste plaats. Hoewel de prestaties van het Amerikaanse bedrijfsleven ten dele toe te schrijven zijn aan modeverschijnselen bij de investeerders -- de aandelenmarkt en de dollar zijn dit jaar fors gestegen -- toch zijn er ook drie diepere krachten aan het werk. De eerste is de Amerikaanse mix van veerkracht en dynamiek. Toegegeven, er is ook zoiets als een oude garde. De energieproducent Exxon, het industriële conglomeraat General Electric (GE) en de farmagroep Johnson & Johnson zaten tien jaar geleden in of in de buurt van de top tien en samen kunnen ze prat gaan op vier eeuwen geschiedenis. Maar het oude financiële establishment is geflopt. De waardevolste Amerikaanse kredietverschaffer is Wells Fargo, dat ooit door Wall Street werd afgedaan als een bank voor boerenkinkels. Coca-Cola en Pfizer zijn uit de toplaag verdwenen, maar door zijn ooit afschuwelijke exploratieresultaten te verbeteren, is Chevron opgeklommen tot 's werelds tweede waardevolste oliemaatschappij. Intel en IBM, twee technologische sterkhouders die in de voorbije tien jaar de top tien opluisterden, hebben hun plaats afgestaan aan Google en Apple, al is het goed mogelijk dat IBM een comeback maakt. Microsoft is de enige overlevende uit de technologiesector. Er zit dus duidelijk meer dynamiek bij de grootste Amerikaanse ondernemingen dan in de rest van de wereld. De tweede diepere kracht is de zwakke prestatie van Europa. Het aandeel van Zwitserland en Groot-Brittannië in de top 50 is, met onder meer Nestlé, Roche, HSBC en BP, nog altijd buiten proportie, maar de rest van het continent kan slechts bogen op vier ondernemingen in de top 50. De langdurige voorkeur die bankfinanciering daar kreeg boven de aandelenmarkt is een deel van de verklaring en de moeilijkheid om te consolideren dankzij grensoverschrijdende fusies heeft het geen goed gedaan. Net zomin als de eurocrisis. Die hakte Banco Santander en de telecomspeler Telefónica in de pan, twee Spaanse bedrijven met uitgebreide activiteiten in Latijns-Amerika die vijf jaar geleden nog pijlsnel klommen in de rankings. De derde kracht is de opkomst en neergang van door de overheid gecontroleerde ondernemingen. In 1997 trok China Mobile naar de beurs, gevolgd door heel wat andere Chinese reuzen, waaronder ook de grote banken van het land. De rage bereikte een piek in 2007, toen de oliemaatschappij PetroChina aandelen verkocht op de markt van Sjanghai. Heel even werd ze de enige onderneming in de geschiedenis die meer dan 1000 miljard dollar waard was. Als van de top tien van de staatsbedrijven in 2009 de allerhoogste waarde die ze ooit bereikten opgeteld wordt, dan kom je uit op 3700 miljard dollar. Dat globale totaal is intussen teruggevallen op 1500 miljard dollar. PetroChina is nog 233 miljard dollar waard. Die dramatische terugval is toe te schrijven aan een buitensporige initiële waardering, de daling van de grondstoffenprijzen en de recente uitverkoop op de opkomende markten. Maar het kan ook een teken zijn dat de investeerders om meer fundamentele redenen omzichtig omgaan met overheidsondernemingen. Het Russische energiebedrijf Gaz-prom, dat door het Kremlin gerund wordt, is teruggevallen op een waarde die nog net gelijk is aan drie keer zijn jaarlijkse winst. Bij Exxon is dat elf keer. De aandelen van een van China's grootste drie kredietverschaffers, Bank of China, worden beneden de boekwaarde verhandeld en de andere twee zijn daar niet ver vanaf. De grote Braziliaanse mijngroep Vale, waar overheidsinstellingen de plak zwaaien, is goedkoper dan haar rivalen elders in de wereld, zoals BHP Billiton en Rio Tinto. Misschien is dat omdat de nadelen van een knusse relatie met de overheid duidelijker geworden zijn. Op 2 september werd een onderzoek geopend tegen Jiang Jiemin, de voormalige voorzitter van PetroChina, wegens 'vermoede ernstige disciplinaire inbreuken', een term die doorgaans wijst op een beschuldiging van omkoperij. Heel wat investeerders vrezen dat de door de Chinese overheid aangezwengelde kredietboom van de jongste vijf jaar de banken heeft opgezadeld met een pak slechte kredieten. Chinese obligaties doen de investeerders nog altijd kwijlen, maar dat geldt niet voor de uitgiften van de slome, door de overheid ondersteunde monolieten. Als het grote private internetbedrijf Alibaba, zoals verwacht, binnenkort aandelen op de markt brengt, dan zal dat tegen een torenhoog veelvoud van zijn winst zijn. Elders klinkt een soortgelijk verhaal. De 40 miljard dollar die Gazprom volgens de denktank Peterson Institute for International Economics elk jaar verliest aan steekpenningen en inefficiëntie kan een reden zijn voor de instorting van de prijs van het aandeel. Minderheidsaandeelhouders in Brazilië voeren aan dat de winst van Petrobras geschaad werd door inmenging van de overheid, die de maatschappij verplichtte lokale leveranciers aan te spreken, de benzineprijzen aan de pomp reguleerde en de rol dicteerde die ze moest spelen bij de ontginning van de reusachtige offshore-olievelden van het land. De herwonnen dominantie van de Verenigde Staten is niet verzekerd. Als die gemeten wordt over een breder spectrum dan de top 50, dan is hun aandeel kleiner en het herstel minder uitgesproken. Twee staatsbedrijven, ICBC en China Mobile zitten net buiten de top tien. Van de ondernemingen tussen plaats elf en plaats 30 is minder dan de helft Amerikaans. Misschien nog het meest significante is dat Amerikaanse firma's niet langer domineren in winstcijfers. Ook al waren hun aandelenkoersen glansloos of erger, toch hebben de meeste reuzenfirma's van de opkomende markten hun winst gestaag zien toenemen. Het jaarlijkse netto-inkomen van China Mobile is in vijf jaar bijna verdubbeld tot een enorme 20 miljard dollar.THE ECONOMIST, BEWERKING: MATHIAS NUTTINEr zit duidelijk meer dynamiek bij de grootste Amerikaanse ondernemingen dan in de rest van de wereld. Investeerders vrezen dat de door de Chinese overheid aangezwengelde kredietboom de banken opzadelde met een pak slechte kredieten.