U neemt een gulzige slok Dickens, een overmoedige kwak from zero to hero en een niet al te behoedzaam snuifje Brusselmans. Even flink mixen. Het resultaat ziet eruit als bouillabaisse waarin de hartige ingrediënten grotendeels aan de tong onttrokken worden door een foutief ingeschatte portie ranzigheid. Op die merkwaardige melange hangt een verrassend etiket: De autobiografie, getekend Gordon Ramsay. Al mogen we dat resultaat niet echt een 24 karaat verrassing noemen. De celebritykok heeft zijn markante ...

U neemt een gulzige slok Dickens, een overmoedige kwak from zero to hero en een niet al te behoedzaam snuifje Brusselmans. Even flink mixen. Het resultaat ziet eruit als bouillabaisse waarin de hartige ingrediënten grotendeels aan de tong onttrokken worden door een foutief ingeschatte portie ranzigheid. Op die merkwaardige melange hangt een verrassend etiket: De autobiografie, getekend Gordon Ramsay. Al mogen we dat resultaat niet echt een 24 karaat verrassing noemen. De celebritykok heeft zijn markante weg naar het firmament van de Michelinsterren altijd al morsig geplaveid met f**cking scheldkanonnades en van de pot getrokken uitroepen. Het lijkt wel alsof hij zich schaamt voor het sérieux dat nu eenmaal opkringelt als je zo'n steengoede vakman annex handige entrepreneur bent. Ook zijn autobiografie bevat alle componenten om uit te groeien tot een even meeslepend als leerzaam relaas. Maar Ramsay lijkt zich alweer een hoedje te schrikken voor zoveel ernst en bederft de pot met puberale stoere taal. Zoveel verbale smakeloosheid is bizar voor een van de mondiale keizers van de gastronomie. Misschien koestert Ramsay zijn straattaal (die niet werkt in dit boek, want lukraak rondgestrooid en inconsequent gebruikt) als een stuntelig eerbetoon aan zijn afkomst. Zijn jeugd lijkt wel een inventaris van hedendaagse misère (agressieve nietsnut als vader, aan heroïne verslaafde broer, hangjongeren en tienermoeders in grauwe, deprimerende buurten). Aanvankelijk zag het ernaar uit dat Gordon Ramsay zich uit de troosteloze armoede en ellende zou bevrijden via de huidige mannelijke versie van het Assepoesterspookje: via voetbaltalent. Hij schopte het tot het jeugdelftal van de roemruchte Glasgow Rangers, maar twee opeenvolgende zware blessures trokken een streep door een contractverlenging. Zijn opleiding tot kok was louter toeval. Zijn vader vond koken voor mietjes, maar Gordon zag gewoon geen andere keuze. Zijn eerste messenset kreeg hij van de liefdadigheidskas van de lokale Rotary Club. Gordon had geen zier ervaring met gastronomie. Soep van varkenskluiven, broodpudding, vissticks en witte bonen in tomatensaus waren vaste kost. "Het idee van een voorgerecht, hoofdgerecht en toetje was onvoorstelbaar. Deden mensen dat echt?""Ik associeerde eten met welvaart, met status," schrijft Ramsay. Allicht putte hij daaruit zijn energie om te leren koken en tijdens de weekends al op de laagste echelons in keukens aan de slag te gaan. De rest is geschiedenis. Via een serie baantjes bij de meest onbehouwen, arrogante en agressieve koks wrong, tierde en vloekte Ramsay zich een weg naar de absolute top. Vandaag heeft hij al twaalf restaurants met in totaal zeven Michelinsterren. En zijn honger is nog lang niet gestild. Gordon Ramsay, De autobiografie. Vip, 270 blz., 19,95 euro. Luc De Decker