2006 was de Wereldhandelsorganisatie (WTO) niet gunstig gezind. Zonder een aanzienlijke verbetering in 2007 zal de Doharonde van wereldwijde handelsgesprekken wellicht naar de geschiedenis verwezen worden en zal de WTO een unieke kans gemist hebben om bij te dragen tot de stroomlijning van de globalisering. En dat precies in 2007, wanneer we de 60ste verjaardag vieren van de GATT (General Agreement on Tariffs and Trade), de vader van de WTO.
...

2006 was de Wereldhandelsorganisatie (WTO) niet gunstig gezind. Zonder een aanzienlijke verbetering in 2007 zal de Doharonde van wereldwijde handelsgesprekken wellicht naar de geschiedenis verwezen worden en zal de WTO een unieke kans gemist hebben om bij te dragen tot de stroomlijning van de globalisering. En dat precies in 2007, wanneer we de 60ste verjaardag vieren van de GATT (General Agreement on Tariffs and Trade), de vader van de WTO. In juli werd de Doharonde opgeschort, grotendeels omdat de grootste spelers er niet in slaagden hun meningsverschillen over de landbouwsubsidies en -tarieven bij te leggen. Een erg spijtige zaak, want voordien was een formidabele vooruitgang geboekt. Zo zouden de mogelijke subsidie- en tariefverlagingen uit de Doharonde voor de landbouw minstens twee of drie keer hoger gelegen hebben dan die uit de Uruguayronde (1986-94). Dat is duidelijk nog onvoldoende, maar de contouren van een mogelijke overeenkomst gaan op dit ogenblik veel verder dan wat er tevoren ooit bereikt werd. Hetzelfde geldt voor de industriegoederen. Tijdens de Uruguayronde waren de landen nog vrij om de producten uit te kiezen die in aanmerking kwamen voor tariefverlagingen. Onder de nieuwe aanpak zou geen enkel product nog ontsnappen aan tariefverlaging. Er zou ook een breder pakket komen voor de dienstensector, nauwere samenwerking op het gebied van milieubeleid, rechtvaardige regels in verband met antidumping en een aanzienlijke vermindering van de handelsformaliteiten. Voor de allereerste keer zou de WTO ook regels opgesteld hebben voor de beperking van de visserijsubsidies, die bijdragen tot het verdwijnen van de visvoorraden in de wereld. Als er zoveel te winnen was, waarom zijn de gesprekken dan vastgelopen? In één woord: landbouw. Ondanks het feit dat de landbouw slechts 8 % van de wereldhandel uitmaakt, was het toch de gordiaanse knoop die we niet konden doorhakken. Daarvoor bestaan verschillende redenen. Een ervan is dat in de ontwikkelingslanden de meerderheid van de echt hulpbehoevende mensen op het land leven. De politici van die landen zijn afkerig van elke verandering die schade kan toebrengen aan de landbouwers die in hun eigen levensonderhoud voorzien. Een andere reden is dat landbouwers veelal een buitenproportionele politieke macht hebben. Landbouwers die verwend worden met gulle overheidssteun en hoge invoerbarrières willen te allen prijze de status-quo behouden. De gevaren die rijzen als de Doharonde niet afgerond wordt, zijn veelvuldig. De leden zullen dan meer en meer overgaan op het systeem van dispuutregeling. De aanhoudende proliferatie van bilaterale en regionale handelsakkoorden is een ander voor de hand liggend gevolg. Dergelijke akkoorden kunnen lonend zijn, maar ze vertonen ook ernstige nadelen, vooral dan voor de ontwikkelingslanden, die vaak ongewenste voorwaarden moeten aanvaarden om een overeenkomst te kunnen bereiken met een machtigere handelspartner. Bovendien schetsen verschillende oorsprongsregels, tariefniveaus en douaneprocedures een warrig beeld voor de internationale zakenwereld, terwijl een wereldwijde handelsovereenkomst wereldwijde regels zou creëren en zou leiden tot niet-discriminatoire handel. Willen we de gesprekken gunstig afronden, dan moeten verschillende zaken gebeuren. Ten eerste moet de impasse in de onderhandelingen doorbroken worden. Dat kan als de belangrijkste spelers hun positie herzien, zodat we uniforme overeenkomsten kunnen sluiten voor de handel in landbouw- en industriële goederen. Ten tweede moet het Amerikaanse Congres de bevoegdheid van president Bush om te onderhandelen over handelsakkoorden hernieuwen of uitbreiden tot na juni 2007. Het is al vaker gezegd dat de partijdige sfeer in Washington DC en de tweeslachtige houding van Amerika als het over handel gaat, ertoe zal leiden dat die bevoegdheid niet wordt vernieuwd. Ik ben er echter van overtuigd dat, wanneer de leden van de WTO het Congres iets kunnen voorleggen dat de moeite waard is, de uitkomst wel eens helemaal anders zou kunnen zijn. En ten slotte moeten de donorlanden hun belofte nakomen om de handelsgebonden financiële steun aan ontwikkelingslanden te verdubbelen. Op de G8-top in Gleneagles in 2005 werd de verbintenis aangegaan om dergelijke hulp tegen 2010 te verdubbelen naar ongeveer 30 miljard dollar. Dat geld is broodnodig om de ontwikkelingslanden de kans te bieden gebruik te maken van de mogelijkheden om toegang tot de markt te krijgen, die uit een Doha-akkoord zouden voortvloeien. Handelsgebonden infrastructuurprojecten, de opleiding van commerciële ambtenaren en een verhoogde productiecapaciteit zijn allemaal noodzakelijk om de armste landen in staat te stellen de handel aan te wenden als een middel om de armoede te lenigen en de levensstandaard te verhogen. We hebben een ontnuchterend 2006 meegemaakt. Als we willen dat het mondiale handelssysteem bruisend en relevant is, dan is het de verantwoordelijkheid van al onze leden, en vooral dan van de grote olifanten binnen onze organisatie, om ervoor te zorgen dat 2007 beduidend beter wordt. Ik hoop dat we samen die klus zullen kunnen klaren. De auteur is directeur-generaal van de Wereldhandelsorganisatie. Pascal Lamy