Juli, augustus en september zijn traditioneel de maanden waarin studenten bijverdienen. Het stelsel van de studentenarbeid is fiscaal en juridisch voordelig. Maar de student moet zich wel aan de regels houden.
...

Juli, augustus en september zijn traditioneel de maanden waarin studenten bijverdienen. Het stelsel van de studentenarbeid is fiscaal en juridisch voordelig. Maar de student moet zich wel aan de regels houden. Net als een gewone werknemer moet een student een schriftelijke arbeidsovereenkomst krijgen. Die overeenkomst moet ten laatste worden ondertekend op de dag dat de studentenarbeid begint. Is de student jonger dan achttien maar ouder dan vijftien, dan kan hij zelf zijn handtekening plaatsen, tenzij zijn ouders of zijn voogd zich daar uitdrukkelijk tegen verzetten. Een model van arbeidsovereenkomst kunt u downloaden van de website van de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (www.meta.fgov.be, klik op 'arbeidsovereenkomsten', 'de overeenkomst voor tewerkstelling van studenten' en 'procedures en formulieren'). Op de eerste werkdag moet de student ook een kopie van het arbeidsreglement ontvangen. In een studentenovereenkomst kan een proeftijd van minimaal zeven en maximaal veertien dagen worden opgenomen. Staat daarover geen beding in het contract, dan bedraagt de proeftijd automatisch zeven dagen. Tijdens de eerste zeven dagen van de proefperiode mag de overeenkomst niet worden beëindigd, behalve om een dringende reden. Na die zeven dagen en ten laatste aan het einde van de proeftijd van maximaal veertien dagen, kan de overeenkomst zonder opzegging en zonder opzeggingsvergoeding worden stopgezet. De duur van een arbeidsovereenkomst voor studenten bedraagt maximaal twaalf maanden. Op die manier kan een student bijvoorbeeld een jaar lang één dag per weekend werken voor dezelfde werkgever. Wordt de periode van twaalf maanden overschreden, dan moet de student een gewone arbeidsovereenkomst krijgen. De normale maximale arbeidsduur voor een student bedraagt acht uur per dag en veertig uur per week. In een vijfdaagse werkweek mag hij negen uur per dag werken. Bepaalde sectoren, zoals de horeca, kunnen daarvan afwijken. In hotels, restaurants en cafés mogen studenten maximaal elf uur per dag en vijftig uur per week werken, als de normale wekelijkse arbeidsduur gemiddeld over een referteperiode wordt nageleefd. Studenten die jonger dan achttien zijn, mogen hoe dan ook niet meer dan acht uur per dag presteren. Dat betekent dat ze in principe ook geen overuren mogen doen. Een jobstudent heeft recht op het minimumloon dat geldt voor de bedrijfssector waarin hij werkt. Heeft de bedrijfssector geen specifieke loonregeling, dan heeft de student recht op het zogenoemde gemiddelde minimummaandinkomen, in verhouding tot zijn leeftijd. Zo heeft een student van achttien recht op een brutominimumloon van 1207,70 euro per maand; voor een student van eenentwintig bedraagt dat minimum 1472 euro per maand. Een werkgever moet een student ook een loon betalen voor de feestdagen -- 21 juli of 15 augustus -- die vallen in de periode van tewerkstelling. Wordt een student ziek, dan moet hij zijn werkgever daar onmiddellijk van verwittigen. Hij moet hem binnen de twee dagen een medisch attest bezorgen als het arbeidsreglement dat oplegt of als de werkgever hem daarom verzoekt. Een werkgever is enkel verplicht een gewaarborgd loon tijdens een ziekteperiode te betalen aan een student-bediende die een arbeidsovereenkomst heeft van ten minste drie maanden. De proefperiode moet wel voorbij zijn. Heeft de jobstudent een ongeval op het werk of op de weg van en naar het werk, dan moet hij zijn werkgever en het ziekenfonds daar onmiddellijk van op de hoogte brengen. De werkgever is wettelijk verplicht een arbeidsongevallenverzekering voor zijn werknemers af te sluiten. Die vergoedt eventuele arbeidsongevallen. De werkgever en de student kunnen de studentenovereenkomst vroeger beeindigen. De werkgever moet een opzeggingstermijn van drie dagen naleven als de overeenkomst voor één maand is afgesloten, of van zeven dagen als de overeenkomst langer dan een maand loopt. Als er een dringende reden is, hoeft de werkgever geen opzeggingstermijn toe te kennen. Een student heeft recht op een opzeggingstermijn van een dag als zijn overeenkomst maximaal een maand loopt. Die termijn bedraagt drie dagen bij een overeenkomst van meer dan een maand. De opzeggingstermijn gaat hoe dan ook ten vroegste in op de maandag die volgt op de week waarin de opzegging werd betekend. Studenten mogen sinds vorig jaar vijftig dagen per jaar werken onder het statuut van jobstudent. Ze mogen die vijftig dagen vrij kiezen en spreiden over het jaar, maar ze moeten wel op post blijven voor de lessen en andere schoolactiviteiten. Op de website van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid staat de tool '50 days', waar jobstudenten het aantal gewerkte dagen tijdens het lopende kalenderjaar kunnen raadplegen. Ze hebben daar een elektronische identiteitskaart of een zogenoemd token -- een kaartje met codes -- voor nodig. Via die website kunnen studenten een attest aanmaken, dat ze aan een werkgever kunnen voorleggen om te bewijzen hoeveel dagen ze nog mogen werken voordat ze de grens van vijftig dagen overschrijden. Het systeem geeft de student eveneens een overzicht van alle studentenjobs waarvoor hij een studentenovereenkomst heeft afgesloten en die hij heeft uitgevoerd. Het saldo van de tool blijft actueel omdat elke werkgever -- of het sociaal secretariaat waarmee hij samenwerkt -- verplicht is een elektronische aangifte van studentenarbeid in te dienen via het Dimona-systeem. Op die manier kan een andere werkgever die een student in dienst wil nemen, nagaan hoeveel dagen die kandidaat tijdens een bepaald kalenderjaar heeft gewerkt. De socialezekerheidsbijdragen die de werkgever inhoudt op het loon van een student, zijn lager dan bij een gewone werknemer, tenminste als de student werkt met een schriftelijke overeenkomst en hij niet meer dan vijftig dagen per jaar bij een of meer werkgevers werkt in periodes dat hij niet aanwezig hoeft te zijn in zijn onderwijsinstelling. Sinds 1 januari 2012 geldt er een solidariteitsbijdrage van 8,13 procent, die het hele jaar van toepassing is. De werkgever neemt daarvan 5,42 procent voor zijn rekening. 2,71 procent is ten laste van de student. De socialezekerheidsbijdrage die de student afdraagt, wordt door zijn werkgever ingehouden bij de uitbetaling van het loon. De kinderbijslag aan de ouders wordt uitbetaald als de student werkt in juli, augustus of september. Als de prestaties buiten die maanden worden geleverd -- in het eerste, het tweede en het vierde kwartaal -- behouden de ouders de kinderbijslag als de student niet meer heeft gewerkt dan 240 uur per kwartaal. Wordt die grens overschreden, dan vervalt het recht op kinderbijslag voor het kwartaal dat de student te veel heeft gewerkt. Voor schoolverlaters bestaat een speciale regeling. Zij mogen in het derde kwartaal -- juli, augustus en september -- maximaal 240 uur werken. Als ze in die periode meer werken, wordt voor hen geen kinderbijslag gestort. In de ziekte- en invaliditeitsverzekering bestaat geen bijzonder stelsel voor studenten. Dat betekent dat de gewone regels voor kinderen van toepassing zijn. Jongeren die studentenarbeid doen en jonger zijn dan 25, worden daarom beschouwd als personen ten laste en zijn gedekt door de verzekering van hun ouders. Op basis daarvan hebben ze recht op medische zorg. Om fiscaal ten laste van zijn ouders te blijven, moet een student aan drie voorwaarden voldoen. Ten eerste moet hij op 1 januari van het aanslagjaar deel uitmaken van het gezin van zijn ouders. Voor het inkomstenjaar 2013 betekent dit dat de student op 1 januari 2014 bij zijn ouders moet wonen. Ten tweede mag de jobstudent geen bezoldigingen ontvangen van zijn ouders. Als een student bijvoorbeeld werkt bij zijn ouders die zelfstandig zijn, en hij daarvoor wordt betaald (1 euro is voldoende), is hij fiscaal niet langer ten laste. Ten derde mogen de nettobestaansmiddelen van de student een bepaalde grens niet overschrijden. Die grens is vastgelegd op 3070 euro voor een student van wie de ouders getrouwd zijn of wettelijk samenwonen, en op 4440 euro voor een student van wie de ouder fiscaal alleenstaand is. Nettobestaansmiddelen zijn niet alleen de inkomsten uit de studentenarbeid, maar ook eventuele onderhoudsuitkeringen -- die bijvoorbeeld worden betaald door een uit de echt gescheiden vader -- en inkomsten van onroerende en roerende goederen waarvan de ouders het wettelijke genot niet hebben, bijvoorbeeld kasbons en aandelen die een studerende zoon of dochter heeft geërfd van een familielid. Als een kind niet langer ten laste van zijn ouders is, moeten de ouders meer belastingen betalen op hun inkomen. Dat komt doordat hun belastingvrije minimum daalt als er een persoon ten laste wegvalt. Of een student belastingen moet betalen op zijn loon, hangt af van zijn totale belastbare netto-inkomen -- dat zijn al zijn inkomsten, inclusief 80 procent van de onderhoudsuitkeringen die hij eventueel ontvangt. Is dat bedrag lager dan de belastingvrije som, dan hoeft hij geen belastingen af te dragen. Voor het inkomstenjaar 2013 bedraagt het belastingvrije minimum voor een alleenstaande -- we gaan ervan uit dat de student niet getrouwd is of wettelijk samenwoont -- 7270 euro, als het belastbare inkomen lager is dan 25.990 euro. Houd er wel rekening mee dat een student in elk geval -- ongeacht zijn inkomen -- verplicht is een belastingaangifte in te dienen. De werkgever van de student houdt geen bedrijfsvoorheffing in als volgende voorwaarden gelijktijdig zijn vervuld: beide partijen hebben een schriftelijke overeenkomst voor studenten afgesloten; de student werkt niet langer dan vijftig dagen in een kalenderjaar en er is slechts een solidariteitsbijdrage van 8,13 procent verschuldigd op het loon. JOHAN STEENACKERSEen jobstudent heeft recht op het minimumloon dat geldt voor de bedrijfssector waarin hij werkt.