Premier Charles Michel (MR) en zijn voorganger Elio Di Rupo (PS) vochten vorige maand een stevig verbaal robbertje uit in de Kamer. Tijdens het debat over de regeerverklaring lachte de PS-voorzitter het jobs-jobs-jobsverhaal van Charles Michel weg. "Flop flop flop", zei Di Rupo daarover, en hij haalde als bewijs de Belgische groeicijfers van de voorbije jaren boven. Die liggen al een hele tijd lager dan die van de meeste buurlanden. Ook vergelijkbare economieën in de Europese Unie scoren systematisch beter.

Vorig jaar groeide de Belgische economie met 1,7 procent. Dat was sterker dan in 2016 (1,4%), maar slechter dan de buurlanden: Duitsland groeide met 2,2 procent, Nederland met 2,9 procent en Frankrijk met 2,2 procent. Ook dit jaar zou België (1,7%) zwakker presteren dan Duitsland (1,9%) en Nederland (2,8%). Met Frankrijk (1,7%) houden we gelijke tred, blijkt uit de cijfers van de Europese Commissie. Voor 2019 heeft het IMF de Belgische vooruitzichten bijgesteld van 1,7 naar 1,5 procent. Opnieuw zou de Belgische economie opnieuw zwakker presteren dan een pak andere EU-landen.

België hinkt dus al een paar jaar achterop. "Al is dat niet altijd zo geweest", zegt Johan Van Gompel, senior economist KBC Group. "De gemiddelde Belgische groei sinds de oprichting van de eurozone bedraagt 1,76 procent per jaar. Dat is hoger dan het gemiddelde in die regio: 1,4 procent. We moeten dus niet dramatiseren. Maar de jongste vijf jaar is het anders. De Belgische economie groeide tussen 2013 en het tweede kwartaal van 2018 met 8,1 procent, tegenover 10,6 procent voor de eurozone. Nederland en Duitsland komen voor die periode boven 11 procent uit" (zie tabel België hinkt al vijf jaar achterop).

GEERT GIELENS "Het ondernemerschap moet dynamischer worden. Dat kan door een aantal regels te versoepelen." © DT

Voka-hoofdeconoom Bart Van Craeynest zette de groeicijfers af tegen die van een aantal vergelijkbare open economieën (Oostenrijk, Denemarken, Finland, Nederland en Zweden). In de periode 2008-2013, ten tijde van de Grote Recessie en de nasleep ervan, groeide de Belgische economie met gemiddeld 0,3 procent per jaar, terwijl die in de andere groep landen kromp met 0,2 procent per jaar. Vanaf 2013 keerde alles. Tussen 2013 en 2015 groeide de Belgische economie met gemiddeld 1,5 procent per jaar. In de groep referentielanden was dat 2,2 procent. De achterstand die deze landen op België hadden opgelopen is niet alleen overbrugd. Als we de voorspellingen van het IMF mogen geloven, halen ze de komende jaren de Belgische slak in (zie grafiek België wordt voorbijgesneld).

BART VAN CRAEYNEST "In amper twee landen zijn de lasten op arbeid hoger dan in België." © DT

Die evolutie verbaast. Een open economie als de Belgische zou moeten floreren in de gunstige internationale conjunctuur van de voorbije jaren, maar blijkbaar is er zand in de Belgische groeiketting geraakt. Er zijn verschillende oorzaken voor die slakkengang, maar gelukkig ook oplossingen.

De oorzaken ? België heeft minder geleden onder de Grote Recessie

Andere landen in de eurozone zagen tijdens de Grote Recessie hun economieën dieper wegzakken dan de Belgische. Als de economie herstelt, is het voor hen gemakkelijker om betere groeicijfers voor te leggen. "België is relatief goed door de financiële crisis gekomen", zegt Bart Van Craeynest. "Onder andere omdat de vastgoedsector hier niet zwaar geleden heeft. In Nederland zijn de huizenprijzen op een bepaald moment met 20 procent gezakt. Ik vraag mij wel af of in welke mate het effect van die minder pijnlijke Grote Recessie voor ons vandaag nog doorwerkt."

België is daarmee een slachtoffer van de wet van de remmende voorsprong. Omdat onze economie niet zo sterk is weggezakt, is er weinig stimulans om verdere verbetering of vooruitgang te zoeken, waardoor we vroeg of laat worden ingehaald. Johan Van Gompel wijst op het positieve effect van de automatische loonindexering op de Belgische economie in de nasleep van de financiële crisis: "Wat je er ook van mag zeggen, de indexering heeft de consumptie van de gezinnen in die moeilijke periode ondersteund."

Daarnaast hebben de zogenoemde automatische stabilisatoren goed gefunctioneerd. Om te vermijden dat de werkloosheid verder opliep, werd tijdelijke werkloosheid bijvoorbeeld mogelijk in alle takken van de economie. Daardoor moesten bedrijven in die moeilijke periodes hun werknemers niet ontslaan. "België heeft ook langer gewacht met de sanering van de overheidsfinanciën", zegt Van Craeynest. "In 2014 hadden de lidstaten van de Europese Unie voor 3,2 procent van het bbp structureel gesaneerd. België zat toen niet eens aan 1 procent."

Tijdens het verhitte Kamerdebat tussen Charles Michel en Elio Di Rupo gaf de premier deze verklaring voor de lagere Belgische groeicijfers: "België is nog bezig met de sanering van de overheidsfinanciën. Voor de vorige regering was dat geen prioriteit. Andere landen die hun begroting wel op orde hebben gekregen, plukken daar nu de vruchten van met betere groeiresultaten."

? Een ondermaats begrotingsbeleid met een hoge fiscale druk

Toch is het fout te beweren dat er onder de regering-Di Rupo niets is gebeurd. Het begrotingstekort daalde van 4 naar 2,9 procent van het bbp. Dat was het gevolg van budgettaire meevallers (de dalende rentelasten), maar ook van hogere belastingen. Dat laatste is niet echt groeibevorderend. Bovendien werd de Belgische groei in de periode 2011-2012 nog eens gedopeerd met stijgende overheidsuitgaven. De trend werd ingezet bij het begin van de Grote Recessie, toen de overheidsuitgaven - exclusief rentelasten - stegen van 45 naar 50 procent van het bbp. Onder Di Rupo namen die verder toe naar bijna 53 procent van het bbp.

De regering-Michel had zich voorgenomen de overheidsuitgaven te doen dalen, en ze zijn inderdaad gezakt tot 50 procent van het bbp. Maar dat is vooral het gevolg van 'minder meer uitgeven', eerder dan van echte besparingen. Het begrotingstekort daalde onder deze regering naar 1 procent van het bbp, maar dat was te danken aan de dalende rentelasten. Een echte structurele sanering was er amper. Van Craeynest: "Ondanks de maatregelen van de regering blijft de fiscale druk te hoog, zeker de belasting op arbeid. Volgens de recentste cijfers zijn er slechts twee landen waar de lasten op arbeid nog altijd hoger zijn dan in België."

? De loonmatiging en de indexsprong

Om de loonkostenhandicap van de Belgische economie tegenover de buurlanden weg te werken werden niet alleen de loonkosten verlaagd. Dat gebeurde ook via aanhoudende loonmatiging. Er werden verschillende loonakkoorden afgesloten zonder of met een beperkte reële loonstijging. In 2015 voerde de regering-Michel een indexsprong door. "Sinds 2016 merk je dat onder andere de consumptie van de Belgische gezinnen lager ligt dan in Nederland of Duitsland", zegt Geert Gielens, chief economist Belfius. "De trage loongroei gecombineerd met een hogere inflatie speelt bij ons meer dan in de buurlanden een rol."

? Een te lage tewerkstellingsgraad

Er werden de voorbije drie jaar volgens het Planbureau 163.500 jobs gecreëerd. Dit en volgend jaar komen er nog eens 100.800 bij. De arbeidsmarkt draait dus op volle toeren, en toch ligt de werkzaamheidsgraad in België (72%) lager dan Nederland (79%), Duitsland (80,6%) en zelfs Frankrijk (72,8%). Gielens: "Daardoor wordt een stijging van de koopkracht over minder mensen verdeeld, en is er dus minder impact op de hele economie."

"Meer mensen aan het werk zou de groei aanzwengelen", zegt Van Gompel. "Nederland is daar een goed voorbeeld van, ook al is er bij onze noorderburen veel deeltijdse arbeid."

? Een trage productiviteitsgroei

De productiviteitsgroei vertraagt al jarenlang, niet alleen in België. Terwijl net de productiviteitsgroei de voornaamste motor is van de stijging van de toegevoegde waarde en dus van de inkomens. De gemiddelde productiviteitsgroei in België bedroeg tussen 2000 en 2005 op jaarbasis 1,2 procent. Tussen 2011 en 2015 was die teruggevallen tot 0,6 procent. "Andere landen kennen dat fenomeen ook, maar in België wordt het versterkt door het grote gewicht van de dienstensector en dan vooral van de niet-marktdiensten (overheid, non-profit) in de economie", zegt Gielens. Als er zich in België significante productiviteitswinsten voordoen, dan is dat in de industrie door toegenomen automatisering of de ontwikkeling van nieuwe producten.

JOHAN VAN GOMPEL

? Weinig ondernemingsdynamiek en te veel zombiebedrijven

Ook met de ondernemingsdynamiek zit het bij ons niet snor. In vergelijking met andere landen worden hier minder bedrijven opgericht en zijn er ook minder stopzettingen. De Belgische oprichtingsgraad (het aantal nieuwe ondernemingen in verhouding tot het totaal aantal ondernemingen) bedroeg in 2015 6,4 procent, een stuk minder dan in de buurlanden (8%) of het EU-gemiddelde (10%). Met de stopzettingsgraad was het niet anders: 3 procent in België ten opzichte van bijna 8 procent in de EU. Je kunt dat positief bekijken, als een bewijs van de hoogstaande kwaliteit van de ondernemingen. Maar volgens het jongste jaarverslag van de Nationale Bank is dat een te optimistische visie: "Het beperkte aantal oprichtingen verkleint een risico op mislukking, maar doet ook kansen verloren gaan. En de hoge overlevingsgraad kan erop wijzen dat een aantal projecten met onzekere afloop - die kunnen leiden tot een zeer snelle groei en een vlugge stopzetting - in België eenvoudigweg niet worden gestart, waardoor er minder veelbelovende ondernemingen worden opgericht."

België telt bovendien opvallend veel zombiebedrijven. Dat zijn de ondernemingen die minstens tien jaar bestaan en waarvan de winsten minsten drie jaar na elkaar lager zijn dan de financiële kosten. Zulke bedrijven kunnen zich handhaven door een geringe concurrentiedruk van nieuwe spelers, een gunstige regelgeving en stringente vereffeningsprocedures. 9 procent van de Belgische ondernemingen zijn zombiebedrijven. In de meer noordelijke landen zijn er dat amper 3 procent.

De oplossingen - De concurrentiekracht versterken

In de Global Competitiveness Index 2018 van het World Economic Forum staat België pas op een 21ste plaats. Nederland staat 6de. De voorbije jaren mag dan wel een beleid gevoerd zijn om de concurrentiekracht van de bedrijven te versterken, de absolute loonkostenhandicap ten opzichte van de buurlanden bedraagt nog altijd 10 tot 11 procent. Van Gompel: "Er zijn stappen gedaan, maar het kan zeker nog beter. De Belgische potentiële groei is daardoor te laag: 1,3 procent."

- Lagere fiscaliteit, minder overheidsuitgaven maar meer -investeringen

De concurrentiekracht versterken betekent de lasten op arbeid nog verder verlagen. Van Gompel: "Niet alleen de hoge belastingdruk is een probleem, ook de belastingmix baart zorgen. De fiscaliteit bevordert de groei niet." Volgens economen ligt een oplossing in een verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op milieuvervuiling. En de verlaging van de vennootschapsbelasting is nog maar een eerste stap.

"Daarnaast is een sanering van de begroting prioritair", vult Van Craeynest aan. Het aanhoudende begrotingstekort en de hoge staatsschuld zorgen maken de bedrijven en de consumenten onzeker. Daardoor stellen ze investeringen en uitgaven uit, want ze calculeren toekomstige belastingverhogingen in. Aansluitend bij de behoefte aan gezonde overheidsfinanciën pleiten de economen voor een toename van de overheidsinvesteringen. Het Planbureau berekende dat een structurele verhoging van de overheidsinvesteringen van 2,4 procent tot 2,9 procent van het bbp - of zo'n 2 miljard euro extra -, het bbp in het eerste jaar met 0,24 procent doet stijgen. Na twintig jaar loopt de bijkomende groei op tot 2,77 procent.

- Meer mensen aan het werk

"De werkzaamheidsgraad moet omhoog", zegt Geert Gielens. "Dat kan door de arbeidsmarkt te dereguleren, meer activering van werklozen om de fricties op de arbeidsmarkt weg te krijgen en de openstaande vacatures in te vullen. Een verhoging van de kwaliteit van het onderwijs is ook belangrijk."

De arbeidsdeal en de wet op werkbaar en wendbaar werk krijgen goede punten, maar er is volgens de economen meer nodig. Bijvoorbeeld een beperking in de tijd van de werkloosheidsuitkeringen. "De ontslagkosten liggen in België nog altijd zeer hoog", stelt Van Craeynest vast. "Voor flexibele regulering voor aanwerving en ontslag staat België in het WEF-rapport op een zwakke 115de plaats. Nu, meer mensen aan de slag helpen en tegelijk de productiviteit verhogen wordt geen gemakkelijke opdracht. Wie met deze krapte nog instroomt uit de werkloosheid doet dat vaak via weinig productieve jobs."

- Ondernemerschap bevorderen en sectoren dereguleren

Geert Gielens: "Het grote aantal zombiebedrijven en het hoge percentage dienstenbedrijven die geen productiviteitsstijgingen neerzetten, wijst op een weinig dynamisch ondernemerschap. Dat kan gekeerd worden door een aantal regels te versoepelen. Zo moet de faillissementswetgeving moderner. Daarnaast is een deregulering van de productmarkten waar nodig wenselijk."

Onderzoek van de OESO leert dat reglementering van sommige dienstensectoren zoals telecom, boekhoudkundige en juridische diensten in ons land veel strenger is dan in de rest van de EU. Er zijn ook kleinere groeiremmers, zoals de sperperiode. En volgens de Nationale Bank heeft een te trage aanpassing van de wetgeving voor nachtwerk de ontwikkeling van e-commerce sterk afgeremd ten opzichte van de buurlanden. Bovendien heeft ondernemerschap nog te veel een slecht imago. In de ranking van attitudes over ondernemerschap staat België 85ste op 140 landen.

Positief is dan weer dat de investeringen in onderzoek en ontwikkeling (overheid en privé samen) met 2,5 procent van het bbp boven het EU-15-gemiddelde van 2 procent liggen. Van Gompel: "Dat is een goede zaak. Alleen kan de vermarkting of commercialisering van de producten en diensten van spin-offs een stuk beter."

1,7 procent

groeide de Belgische economie in 2017.