Uit een analyse van de belastinginkomsten door de federale overheidsdienst Economie (zie tabel) blijkt dat de rijkste 10 procent van de bevolking instaat voor 45,7 procent van de inkomsten uit de personenbelasting. Aan de andere kant van het spectrum neemt de 50 procent van de minst gegoeden samen 6 procent van de ontvangsten uit de personenbelasting voor zijn rekening.
...

Uit een analyse van de belastinginkomsten door de federale overheidsdienst Economie (zie tabel) blijkt dat de rijkste 10 procent van de bevolking instaat voor 45,7 procent van de inkomsten uit de personenbelasting. Aan de andere kant van het spectrum neemt de 50 procent van de minst gegoeden samen 6 procent van de ontvangsten uit de personenbelasting voor zijn rekening. De verklaring ligt in het progressieve karakter van de belasting. Van het ene deciel naar het andere neemt de effectieve aanslagvoet toe. "In een systeem waarin men de progressiviteit van de belasting expliciet wil vastleggen, lijkt het me niet overdreven dat de rijkste 10 procent 45 procent van de belasting betaalt", zegt Philippe Defeyt, econoom aan het Instituut voor Duurzame Ontwikkeling en ex-voorzitter van Ecolo. "Als we ook rekening houden met andere belastingen, zoals de btw, de accijnzen en de sociale bijdragen, dan betalen de hoogste inkomens zeker minder dan 45 procent van de totale belasting." Het is ook interessant te kijken naar de diensten die met die belastingen worden gefinancierd. De enquête van de FOD Economie over de gezinsuitgaven toont aan dat de lagen van de bevolking die de meeste belastingen betalen twee keer meer dan gemiddeld naar het theater of de opera gaan, dat ze drie keer meer naar de bibliotheek gaan, dat hun kinderen vaker naar de universiteit gaan en dat ze regelmatiger een beroep doen op de preventieve gezondheidszorg. Dat zijn allemaal activiteiten die grotendeels gefinancierd worden met belastingen. Steunt ons belastingsysteem niet te veel op de breedste schouders, die vaak ook het meest mobiel zijn? Geert Noels, econoom van Econopolis, vreest van wel: "Die cijfers tonen aan dat ons systeem eigenlijk zeer kwetsbaar is omdat het afhankelijk is van een kleine fractie die veel bijdraagt. We mogen die absoluut niet verliezen. Dat is in het belang van de 50 procent van de Belgen die geen of weinig inkomstenbelasting betalen." Noels betreurt dat een zekere "vijandigheid" bestaat tegenover die grote belastingbetalers, terwijl hun bijdrage aan de financiering van de openbare diensten eigenlijk moet worden toegejuicht. "Die toenemende vijandigheid vergroot het risico op een braindrain", benadrukt hij. "Het is echter essentieel dat ons land die mensen behoudt." Maar, voegt hij eraan toe, strikt electoraal bekeken, is die rijkste 10 procent verdedigen ongetwijfeld niet de meest lonende weg. De linkerzijde hecht weinig geloof aan een massale exodus van grote belastingbetalers en herinnert er graag aan dat de Verenigde Staten een lange periode van voorspoed kenden met marginale tarieven van meer dan 70 procent. "Op zich is de aanslagvoet niet het probleem, wel de fiscale concurrentie", merkt Philippe Defeyt op. "We moeten nadenken over de manier waarop we die situaties aanpakken in een geglobaliseerd systeem en in een Europa met vrij verkeer van burgers en kapitaal." Uiteindelijk zeggen de cijfers meer over de inkomsten dan over de fiscaliteit, oordeelt PTB-volksvertegenwoordiger en specialist fiscale zaken Marco Van Hees. De helft van de Belgen heeft een netto belastbaar inkomen van minder dan 25.000 euro, de meest gegoede 1 procent geeft meer dan 135.000 euro aan. Ook de spreiding van de inkomens is verrassend. Zo valt het te betwijfelen dat mensen die 45.000 euro per jaar verdienen (dertiende maand en vakantiegeld inbegrepen) zichzelf beschouwen als leden van de rijkste 20 procent van het land. Bovendien geven die statistieken over de fiscale inkomsten geen goed beeld van de realiteit. "In een en hetzelfde deciel zit zowel het koppel gepensioneerden dat eigenaar is van zijn woonst en 1500 euro pensioen trekt, als de vrouw die haar twee kinderen alleen opvoedt, 1500 euro verdient en in een huurappartement woont", verduidelijkt Defeyt. "Die twee situaties zijn nochtans fundamenteel verschillend. Ik betreur het dat de officiële statistieken in België het niet toelaten het hele plaatje te schetsen. De gegevens zijn nochtans voorhanden." De cijfers geven dus enkel het belastbare inkomen aan en houden geen rekening met de roerende inkomsten en slechts zeer gedeeltelijk met de huurinkomsten. Zowel Noels, Defeyt als Van Hees is voorstander om die inkomsten samen te voegen. "Eenzelfde jaarlijkse inkomen heeft niet dezelfde betekenis voor een huurder als voor een eigenaar van vijf appartementen", zegt Noels. "Om het belastingsysteem rechtvaardig te houden, moeten we tot een zekere vorm van globalisatie van de inkomsten komen." Hij vindt dat des te dringender naarmate de ontwikkeling van platformen als Airbnb, Uber en de hele collaboratieve economie leidt tot "steeds meer gefragmenteerde" inkomensbronnen. Er wacht de minister van Financiën nog een serieuze uitdaging. Christophe De Caevel"We mogen die kleine fractie die veel bijdraagt, absoluut niet verliezen. Dat is in het belang van de 50 procent van de Belgen die geen of weinig inkomstenbelasting betalen" - Geert Noels, Econopolis