'De financiële toestand van de Belgische ondernemingen 2003, sleutelratio's en risico-indicatoren 1992-2001', Hubert Ooghe, Pieter Vandermoere, Nick Waeyaert, Intersentia 2003.
...

'De financiële toestand van de Belgische ondernemingen 2003, sleutelratio's en risico-indicatoren 1992-2001', Hubert Ooghe, Pieter Vandermoere, Nick Waeyaert, Intersentia 2003.Het vet is van de soep. In 2001 waren de Belgische ondernemingen gezonder dan ooit tevoren, maar hun rentabiliteit was dat jaar aan inleveren toe. Dat was geen verrassing. De vetpotten van de jaren negentig waren in 2001 leeggelepeld en de conjunctuur brokkelde af. De rentabiliteit is doorgaans het eerste slachtoffer als de groei vertraagt. De omzet daalt sneller dan bedrijven kunnen snoeien in de kosten. Toch verbeterde de kaspositie (de liquiditeit) van de bedrijven in 2001. De reden: ze werden voorzichtiger. "Door het onzekere conjunctuurklimaat schroefden de bedrijven hun investeringen terug om een grotere kasreserve op te bouwen. Bedrijven zijn nog nooit zo goed bij kas geweest. Maar omdat de conjunctuur zich in 2002 niet herpakte, is de financiële gezondheid in dat jaar wellicht achteruitgegaan. Een ander alarmsignaal is dat in 2001 de personeelskosten per werknemer sterker stegen dan de bruto toegevoegde waarde," zegt Hubert Ooghe. De Gentse professor put deze conclusies uit de inmiddels achtste editie van de studie 'De financiële toestand van de Belgische ondernemingen 2003'. Graydon leverde de jaarrekeningen van 249.731 ondernemingen. Hubert Ooghe en zijn medewerkers Pieter Vandermoere en Nick Waeyaert maakten een grote pot koffie, sloten de deur en kraakten de cijfers. Daarvoor gebruikten ze knowhow opgebouwd door de vakgroep bedrijfsfinanciering van de faculteit economie en bedrijfskunde van de Universiteit Gent en het competentiecentrum accounting & finance van de Vlerick Leuven Gent Management School. Ooghe & co. wikten en wogen de financiële gezondheid van het kwart miljoen ondernemingen aan de hand van tien sleutelratio's en twee risico-indicatoren. De risico-indicatoren (op korte en op langere termijn) meten de overlevingskansen van het bedrijf. De sleutelratio's zijn opgebouwd rond vier cruciale gezondheidsparameters van een onderneming. 1. toegevoegde waarde: slaagt de onderneming erin voldoende waarde toe te voegen aan de aangekochte goederen en diensten en is de klant bereid daarvoor te betalen? 2. rentabiliteit: welke resultaten worden bereikt in verhouding tot de verkopen en de ingezette middelen? 3. solvabiliteit: kan een onderneming haar verplichtingen in verband met interestbetaling en aflossing ten gevolge van schuldfinanciering nakomen? 4. liquiditeit: is de onderneming in staat voldoende kasmiddelen te mobiliseren om haar kortlopende betalingsverplichtingen te voldoen? De bedrijven werden ingedeeld volgens regio (Vlaanderen, Brussel, Wallonië), grootte (groot, klein en ondernemingen zonder personeel) en sector. Ooghe & co. hebben de economie in 21 sectoren ingedeeld: landbouw, energie en water, metaal, voeding, chemie, textiel en kleding, hout en meubel, papier en druk, overige industrie, bouw, groothandel, kleinhandel, horeca, vervoer, onroerend goed, zakelijke diensten, persoonlijke diensten, managementvennootschappen, portefeuillemaatschappijen en holdings, gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening en een restsector. Vervolgens werd voor elke sleutelratio en risico-indicator een rangschikking van de bedrijven gemaakt van laag naar hoog. Daaruit werd dan telkens de middelste score of de mediaanscore geplukt. Het zijn de resultaten van deze mediaan die worden besproken en niet het gemiddelde resultaat. De mediaan geeft de algemene tendens weer zonder al te veel vertekeningen. De onderneming die voor elke sleutelratio en risico-indicator de middelste score (mediaan) haalt, bestaat niet. Maar deze hypothetische onderneming - we noemen ze de NV Doorsnee - was financieel gezond in 2001. Onthoud dat voor elke parameter 50 % van de ondernemingen beter scoort dan de NV Doorsnee en 50 % slechter. Bij welke helft hoort uw bedrijf? De NV Doorsnee haalde in 2001 een bruto toegevoegde waarde van 51.000 euro per werknemer en wist daarmee de stijgende trend sinds 1992 intact te houden. In de periode 1992-2001 nam de bruto toegevoegde waarde per werknemer van de NV Doorsnee toe met 54,5 %. De stijging in 2001 bedroeg maar een schamele 1,6 %, maar dat betekent wel dat de productiviteit verder is toegenomen. Maar ook de personeelskosten per werknemer gingen omhoog. De NV Doorsnee keek in 2001 tegen een factuur van 33.000 euro per werknemer aan. De personeelskosten zijn met 57,1 % bovendien sterker gestegen in de periode 1992-2001 dan de bruto toegevoegde waarde. Ondanks de loonmatiging moeten de bedrijven productiever worden om de stijgende loonkosten te compenseren. Als de ondernemingen hun concurrentiepositie willen beschermen, moeten ze investeren in procesvernieuwing, automatisering en robotisering (met mogelijk verlies aan arbeidsplaatsen) of hun loonkosten laten dalen (wat waarschijnlijk ook ten koste van de werkgelegenheid gaat). Scoort u beter dan de NV Doorsnee, dan is de kans groot dat uw bedrijf actief is in de sectoren financiële diensten, energie en water, holdings, onroerend goed of chemie. Deze sectoren halen de hoogste bruto toegevoegde waarde. Aan de andere kant zitten de sectoren horeca, persoonlijke diensten, textiel en kleding, hout en meubel, en bouw. De meest productieve sectoren betalen hun personeel ook doorgaans het best. Opvallend is dat de toegevoegde waarde en de personeelskosten per werknemer veel groter zijn in de grote ondernemingen dan in de kleine ondernemingen. Maar de kleine ondernemingen zijn wel bezig aan een inhaalbeweging. In de periode 1992-2001 is de bruto toegevoegde waarde systematisch het hoogst in Vlaanderen en het laagst in Wallonië. Met de rentabiliteit van de NV Doorsnee ging het niet goed in 2001. Zowel de verkoopmarge als de nettorentabiliteit van het eigen vermogen daalde, na een overwegend positieve trend de jongste tien jaar. De nettorentabiliteit van het eigen vermogen na belastingen - of het rendement voor de aandeelhouder van de NV Doorsnee - daalde van 6,82 % naar 6,12 %. Dat is nog altijd meer dan behoorlijk, omdat het rendement op een overheidsobligatie van tien jaar in 2001 rond 4 à 5 % schommelde. Ondernemen was dus door de band genomen lonender dan rentenieren. Maar zoals reeds gezegd: 50 % van de ondernemingen doet het beter, terwijl 50 % met minder tevreden moet zijn. In 2001 maakte nog altijd één op drie ondernemingen verlies. En door verliezen in het verleden kampte zelfs 47 % van de bedrijven in 2001 met een overgedragen verlies. Een ander cijfer dat tot nadenken stemt, is het aantal bedrijven met een negatief eigen vermogen. Liefst 12,9 % van de ondernemingen - ruim 30.000 stuks - had de eigen middelen al volledig opgesoupeerd en zat in een situatie waarbij de schulden zwaarder wogen dan de activa. Deze bedrijven zijn virtueel failliet. De rentabiliteit van de Vlaamse ondernemingen is het hoogst. Wel scoren de Waalse ondernemingen beter op het vlak van cashflowrentabiliteit. De Brusselse ondernemingen zijn over het algemeen het minst rendabel. De solvabiliteitsevolutie van de NV Doorsnee vertoont een gemengd beeld. Het aandeel van het eigen vermogen in de totale financiering nam verder toe en bereikte in 2001 het hoogste peil van 30 %. De algemene graad van financiële onafhankelijkheid van de NV Doorsnee is daarmee toegenomen, al lijkt de solvabiliteit een hoogtepunt bereikt te hebben. Bovendien is de dekking van het vreemd vermogen door de cashflow gedaald tot 12,37 %. De capaciteit van de NV Doorsnee om schuld af te lossen is dus afgenomen. Toch kan de NV Doorsnee tegen een stootje. Opvallend hier is de sector water en energie. De mediaanonderneming financiert zich hier voor 50,8 % met eigen middelen. De horecasector daarentegen valt het meest terug op schuldfinanciering, omdat die sector het hoogste aantal verlieslatende bedrijven telt. Het eigen vermogen smelt hier dus snel weg. De Vlaamse ondernemingen zijn meer solvabel (zowel inzake financiële onafhankelijkheid als inzake cashflowdekking) dan de Brusselse of Waalse. En hoeveel heeft de NV Doorsnee in kas? De liquiditeit was verbeterd in 2001. De beperkt vlottende activa (voorraden en bestellingen in uitvoering, vorderingen op ten hoogste één jaar, geldbeleggingen, liquide middelen en overlopende activa) dekten 1,21 keer het vreemde vermogen op korte termijn. In 2001 was dat 1,18 keer. De rentabiliteit van de NV Doorsnee is dan wel gezakt in 2001, dankzij de betere solvabiliteit en liquiditeit was de kans dat het bedrijf op korte of lange termijn over de kop gaat, gedaald in dat jaar. De kleine ondernemingen hebben vooral op langere termijn een grotere kans failliet te gaan dan de grote ondernemingen. Energie en water is een sector die traditioneel sterk scoort. Vooral de bruto toegevoegde waarde in de sector is moeilijk te kloppen. De kneusjes in deze sector horen qua toegevoegde waarde in het algemeen bij de middenmoters van de economie. De personeelskosten per werknemer liggen hier wel erg hoog. Dat is niet onlogisch. Het betekent dat de sector water en energie van de hoge bruto toegevoegde waarde gebruikmaakt om haar personeel goed te betalen. Aangezien deze sector tot voor de liberalisering van de energiemarkten bijna volledig geregulariseerd was, heeft de sector zichzelf niet slecht bedeeld. De horeca daarentegen is een sector die traditioneel slecht scoort. Alleen met de lage personeelskosten per werknemer weet de sector zich te onderscheiden, maar deze lage kosten zijn het spiegelbeeld van de lage bruto toegevoegde waarde. Daan KillemaesDe Brusselse ondernemingen zijn over het algemeen het minst rendabel.Bij liefst 12,9 % van de ondernemingen wegen de schulden zwaarder dan de activa. Deze bedrijven zijn virtueel failliet."De bedrijven zijn nog nooit zo goed bij kas geweest."