De Belgische regering wil met Europa overleggen om de doelstelling voor de uitstootreductie van broeikasgassen tegen 2030 aan te passen aan "de Belgische realiteit". Dat kondigde minister van Energie Marie-Christine Marghem eind juli aan. De Europese Commissie verwacht dat ons land de komende vijftien jaar de uitstoot van broeikasgassen reduceert met 35 procent ten opzichte van 1990. Dat is nodig om het engagement van de Klimaattop in Parijs, waar Europa een vermindering met 40 procent beloofde, waar te maken. Voor Marghem is 32,5 procent een redelijker doel.
...

De Belgische regering wil met Europa overleggen om de doelstelling voor de uitstootreductie van broeikasgassen tegen 2030 aan te passen aan "de Belgische realiteit". Dat kondigde minister van Energie Marie-Christine Marghem eind juli aan. De Europese Commissie verwacht dat ons land de komende vijftien jaar de uitstoot van broeikasgassen reduceert met 35 procent ten opzichte van 1990. Dat is nodig om het engagement van de Klimaattop in Parijs, waar Europa een vermindering met 40 procent beloofde, waar te maken. Voor Marghem is 32,5 procent een redelijker doel. Marghem heeft goede redenen om de doelstellingen niet zomaar te aanvaarden. Die werden hoofdzakelijk berekend op basis van het bruto binnenlands product, al is er bij de nieuwste Europese plannen een extra criterium toegevoegd, dat toelaat rekening te houden met de relatief hoge kosten die de doelstellingen meebrengen. Dat is niet de eerste keer. Ook de doelstellingen uit het Europese Klimaatplan dat de Commissie in 2007 goedkeurde, waren het gevolg van een politiek compromis, eerder dan van een gedegen studie naar de beste oplossing. Het Klimaatplan werd begrijpbaar gemaakt met het 20-20-20-ezelsbruggetje: 20 procent minder broeikasgassen, 20 procent hernieuwbare energie en 20 procent meer energie-efficiëntie. België kreeg toen een doelstelling van 13 procent hernieuwbare energie opgelegd. Die was niet gebaseerd op het potentieel van ons land om kostenefficiënt groene energie te ontwikkelen. De Europese Commissie lichtte de werkwijze in januari 2008 toe. "Vandaag bedraagt het aandeel hernieuwbare energie in de totale energieconsumptie 8,5 procent." Na lang onderhandelen over de vraag hoe het gat van 11,5 procent moest worden dichtgereden, werd afgeklokt op een veredelde optelsom. "De helft van de extra inspanning (5,75%) wordt gelijkelijk onder de lidstaten verdeeld. De overige 5,75 procent wordt toegewezen volgens de grootte van het bruto nationaal product." Op die manier ging de doelstelling van België naar 13 procent. Het probleem met het 20-20-20-plan was vooral dat het te veel doelstellingen tegelijk nastreefde. Die doen elkaars inspanningen teniet, of werken elkaar zelfs tegen. Op dat gebied heeft Europa zijn les geleerd. De Commissie heeft tegen 2030 nog maar één hoofddoelstelling: 40 procent minder uitstoot van broeikasgassen. De objectieven om naar 27 procent hernieuwbare energie en 27 procent energie-efficiëntie te gaan gelden voor de Europese Unie, maar zijn niet bindend voor individuele landen. Daarmee zijn niet alle problemen opgelost. Tot nu toe heeft het merendeel van de geïnstalleerde groene energie nog geen gram CO2-uitstoot helpen te besparen in de Europese Unie. Dat komt door de dubbele aanpak van Europa. Enerzijds zijn er ruim 11.000 industriële sites van onder meer de elektriciteitssector, staalovens, olieraffinaderijen, cementfabrieken en de luchtvaart, die onder het Emission Trading Scheme (ETS) vallen. Daar was de doelstelling om tegen 2020 te gaan naar een emissievermindering met 21 procent in vergelijking met 2005. Dat ETS-systeem dekt iets minder dan de helft van de uitstoot. Voor de andere sectoren - gebouwen, transport, landbouw, afval en niet-ETS-industrietakken - werd in 2008 een reductie van 10 procent ten opzichte van 2005 vooropgesteld. Opnieuw gebeurde die verdeling vooral op basis van het bruto nationaal product. Sommige landen moesten 20 procent minder uitstoten, andere mochten zelfs 20 procent meer uitstoten. De Europese beloftes op de Klimaatconferentie van Parijs scherpten die doelstellingen nog aan. Tegen 2030 moet het ETS-systeem 43 procent minder uitstoot realiseren, de niet-ETS-sectoren 30 procent minder. België zag zijn niet-ETS-doelstelling stijgen van 15 naar 35 procent. ETS- en niet-ETS-sectoren moeten samen een reductie van minstens 40 procent opleveren in Europa. Er zijn best wat vraagtekens te plaatsen bij die dubbele aanpak. Het ETS-systeem was eigenlijk tweede keuze. De Europese ambtenaren pleitten oorspronkelijk voor een CO2-taks. Omdat dat politiek onhaalbaar bleek, werd het een cap and trade-systeem. Niet dat het verschil - bij perfecte marktomstandigheden - erg groot zou mogen zijn. Met een CO2-taks ligt de prijs per eenheid uitstoot vast, maar de hoeveelheid CO2, en dus de totale opbrengst van de taks, niet. Bij een cap and trade-systeem ligt de hoeveelheid vast en fluctueert de eenheidsprijs. Die cap is het maximum aan CO2 dat de betrokken industrieën mogen uitstoten. Het werkt via een systeem van uitstootrechten. De cap daalt elk jaar met 1,75 procent en na 2020 met 2,2 procent. De bedrijven mogen die rechten wel onderling verhandelen. Alleen ligt de marktprijs van die rechten momenteel behoorlijk laag: tussen 5 tot 8 euro per ton CO2. Dat komt omdat er bij de start van het systeem te veel gratis rechten zijn uitgedeeld. Nog meer impact had de crisis van 2008. De industrie produceerde minder en had dus ook minder uitstootrechten nodig. Door het ETS-systeem is het CO2-reductie-effect van meer hernieuwbare energie veel kleiner dan wordt gedacht. Bovendien zijn er aanzienlijke maatschappelijke kosten, omdat de subsidies voor CO2-vrije elektriciteitsproductie per ton vermeden CO2 veel hoger zijn dan de prijs van een uitstootcertificaat. De komst van meer hernieuwbare energie doet de vraag naar CO2-certificaten nog afnemen. Het gat dat de groene energie laat in de hoeveelheid emissierechten wordt vrolijk opgevuld door kolencentrales in vooral Oost-Europa en Duitsland. Daar hoopten sommigen de kosten van de Energiewende, de overschakeling naar groene energie, gedeeltelijk te compenseren door tegelijk goedkope steen- en bruinkoolcentrales te laten draaien en bij te bouwen. Het gevolg was dat de Duitse CO2-uitstoot in 2013 steeg, al is hij in 2014 weer licht gedaald. Samengevat: groene energie kan zorgen voor een goed gevoel, en de uitstoot lokaal doen dalen, maar Europees maakt het amper verschil. Hetzelfde effect speelt voor een deel bij de niet-ETS-inspanningen. Van de door Marghem betwiste 35 procent die België moet realiseren, moet meer dan 20 procent komen uit de bouwsector en de kmo's. Zeker de bouwsector vernieuwt traag. Premies voor dak- en zolderisolatie blijven een relatief eenvoudige, goedkope en efficiënte maatregel. De energieprestatienorm valt dan weer moeilijk als een onverdeeld succes te bestempelen. Om die te halen, wordt snel teruggegrepen naar zonnepanelen. Combineer je die met een warmtepomp, dan reduceer je effectief je uitstoot. Maar wie zonnepanelen heeft, en zich verwarmt met een gasboiler of een stookolieketel, haalt misschien wel zijn lokale energieprestatienorm, maar zet zijn overtollige zonne-energie opnieuw op het net. Het effect is, weliswaar op microschaal, hetzelfde als van de windmolen of het zonnepark uit het ETS-systeem. Het is duidelijk dat er behoefte is aan meer systeemdenken. Wat is de invloed van de ene maatregel op andere maatregelen en op het hele energiesysteem? Het afblazen van de bouw van de BEE-biomassacentrale in Gent was een schoolvoorbeeld van een politiek geïnspireerde beslissing, die het zeer moeilijk maakt de 2020-doelstellingen voor België te halen. Die slaan op het totale energieverbruik. Dat betekent dat, Europees gezien, ruim een derde van onze elektriciteit uit groene bronnen moet komen. Voor België komt 13 procent hernieuwbare eindenergie neer op iets meer dan 20 procent groenestroomproductie. Dat staat nog los van het kannibaliserende effect van hernieuwbare energie. Omdat zon en wind, op de onderhoudskosten na, gratis energie leveren, jagen ze de gemiddelde energieprijs op de groothandelsmarkt naar beneden. Daardoor krijgen niet alleen fossiele centrales het almaar moeilijker, maar ook de groene-energieproducenten, die voorlopig worden gesubsidieerd, maar een deel van hun inkomsten uit de verkoop van energie moeten halen. Overleven na de subsidieperiode wordt een hele uitdaging. Dat effect zie je ook op microniveau. Tot nu toe verkopen particuliere zonnepanelenbezitters hun energie tegen dezelfde prijs als wanneer ze die inkopen. De groothandelsprijzen fluctueren wel in functie van de vraag. Dat prijsverschil ligt mee aan de basis van onpopulaire maatregelen als het prosumententarief en de turteltaks. Die doen de appetijt voor hernieuwbare investeringen dan weer geen goed. Het is slechts een van de vele paradoxen in energieland. Naarmate er meer hernieuwbare energie op het elektriciteitsnet wordt gepompt, daalt de vraag naar fossiele brandstoffen. Die worden goedkoper en zullen dus wellicht meer worden aangewend in andere toepassingen, zoals verwarming. Tegelijk leidt die groenere energiebevoorrading niet dadelijk tot een grotere bevoorradingszekerheid. Als de voorraden op zijn, zullen we bijvoorbeeld Russisch gas moeten blijven importeren op kritieke momenten, wanneer het duur is dus. Dat laatste probleem kan pas echt worden opgelost als groene energie kan worden opgeslagen. Dat zal in eerste instantie met batterijen zijn, maar voor grootschalige opslag - voldoende om de 12.000 ETS-fabrieken te bevoorraden - ligt de technologiekeuze nog open. Als dat wordt opgelost, dan lijkt een toekomst met 100 procent hernieuwbare energie niet veraf. Alleen weet niemand hoe een markt werkt in een marktsysteem waar de marginale kosten nul zijn. De kans dat een investeerder zonnepanelen, windturbines of dure opslagsystemen wil bouwen als hij daar amper voor wordt vergoed, is klein. Er is dus een ander marktmodel nodig. Of het goedkoper zal zijn dan het huidige, blijft een vraagteken. Luc HuysmansTot nu toe heeft het merendeel van de geïnstalleerde groene energie nog geen gram CO2-uitstoot helpen te besparen in de Europese Unie. Naarmate er meer hernieuwbare energie bij komt, daalt de vraag naar fossiele brandstoffen. Die zullen wellicht meer worden aangewend in andere toepassingen. Groene energie kan zorgen voor een goed gevoel, en de uitstoot lokaal doen dalen, maar voor de Europese uitstoot maakt het amper verschil.