TIEN JAAR NA het begin van de grootste financiële crisis in driekwart eeuw en de eerste wereldwijde recessie sinds de Tweede Wereldoorlog luidt alom de vraag: wat hebben we geleerd? Het is nog veel te vroeg om die vraag definitief te beantwoorden, maar dit zijn mijn tussentijdse conclusies.

Opmerkelijk is wat niet is gebeurd: het kapitalisme is niet dood, alle toenmalige overlijdensberichten ten spijt. Ik herinner mij levendig de vele debatten waarin ik de degens moest kruisen met denkers die de erfvijand van het 'neoliberalisme' - hun dooddoener voor alles wat naar markt en economie ruikt - naar de vuilnisbelt verwezen. Dat is dus even anders uitgedraaid.

Gekaapt door extreem straatprotest à la Occupy Wall Street en de Indignados, is politiek links er niet in geslaagd de implosie van het financiële kapitalisme te recupereren. Er kwam geen alternatieve visie, geen realistische nieuwe agenda. Zelfs in het getergde Griekenland volstond de confrontatie met de werkelijkheid om het zegevierende Syriza van elke revolutionaire waan te bevrijden. Tien jaar na het begin van de crisis zijn de socialistische en sociaaldemocratische partijen overal in Europa en de Verenigde Staten op hun retour.

HET FINANCIËLE KAPITALISME heeft de crisis niet alleen overleefd, het heeft ze ook bezworen. De private banken hebben ons in het ravijn gestort en de nationale banken hebben ons eruit gehaald. Agressief monetair beleid was overal de terugvaloptie bij gebrek aan een daadkrachtig politiek hervormingsbeleid. Dat heeft vele banen gered en de economie doen heropleven. Maar het heeft ook de beurzen en de beleggers die de bubbel hadden gecreëerd alweer veel rijker gemaakt. Het heeft de dominantie van de reële economie door de financiële economie nog versterkt.

In die zin zijn de grondstromen voor de financiële crisis door het herstelbeleid van na de crisis behouden. De crisis is niet gevolgd door een catharsis. De schuldverslaving die aan de basis lag van de desastreuze bubbel is nog veralgemeend. Daar ligt de voedingsbodem van het pessimisme voor de toekomst, van de frustratie tegenover de elites, van het antisysteempopulisme, van de obsessie met ongelijkheid, van de afgunst tegenover hoge inkomens: allemaal politieke en culturele naweeën van de crisis en van het beleid dat op de crisis is gevolgd, of juist niet.

NOGAL WAT COMMENTATOREN roemen de internationale coördinatie van het crisisbeleid in de bange maanden en jaren na de grote crash. Maar de G20 die daarvoor heeft gediend, liet alle internationale instellingen links liggen. De wil van twintig grote landen was 's werelds wet. Bij de redding van de banken was het volop eigen banken eerst. Alle mooie principes van eerlijke handel gingen de mist in, zelfs in de Europese Unie. In de Verenigde Staten heeft president Barack Obama roemrijke Amerikaanse automerken eigenhandig gered met belastinggeld.

De crisis was dus niet de triomf van het multilateralisme, maar het begin van het onversneden economische nationalisme dat rechtstreeks naar Donald Trump leidt. Dat brengt me bij China. De grote crisis van het kapitalisme heeft China economisch, geopolitiek en ideologisch een groot zelfvertrouwen gegeven. Het jaar van de kredietcrisis is ook dat van de Olympische Spelen in Peking. Het was een symbolisch keerpunt: sindsdien claimt China mondiaal leiderschap en propageert het openlijk het Chinese model als een alternatief ontwikkelingsmodel.

EEN DECENNIUM LATER moeten we bewondering hebben voor de weerbaarheid van markten, voor de veerkracht van de economie en voor het aanpassingsvermogen van het kapitalisme dat steeds uit zijn eigen fouten leert. Het gaat nu veel beter dan velen toen voor mogelijk hadden gehouden. Maar onderhuids sluimert onvoldane woede en rotten de normen en waarden van het internationale marktkapitalisme. Dat doet vermoeden dat de echte rekening van 2008 nog moet worden vereffend. Afspraak binnen tien jaar.

De auteur is directeur van de denktank Itinera en doceert aan de UGent. @devosmarc