Als we het uitgangspunt volgen dat moderne wetenschappelijke economische analyse van start ging in 1776 toen Adam Smith (1723-1790) zijn meesterwerk An Inquiry into the Nature and Causes of Wealth of Nations publiceerde, dan is de kwantiteitstheorie ouder dan die moderne economische wetenschap zelf. De fundamenten van de kwantiteitstheorie zaten al vervat in een aantal bespiegelingen van pre-Smithiaanse filosofen en economen als John Locke (1632-1704), Richard Cantillon (1680-1734) en David Hume (1711-1776). Ondanks de ver teruggaan...

Als we het uitgangspunt volgen dat moderne wetenschappelijke economische analyse van start ging in 1776 toen Adam Smith (1723-1790) zijn meesterwerk An Inquiry into the Nature and Causes of Wealth of Nations publiceerde, dan is de kwantiteitstheorie ouder dan die moderne economische wetenschap zelf. De fundamenten van de kwantiteitstheorie zaten al vervat in een aantal bespiegelingen van pre-Smithiaanse filosofen en economen als John Locke (1632-1704), Richard Cantillon (1680-1734) en David Hume (1711-1776). Ondanks de ver teruggaande historische wortels, blijft de kwantiteitstheorie ook nu relevant in discussies over monetair beleid en rentevoeten. De kwantiteitstheorie kan samengevat worden in de volgende vergelijking: M x V = P x Q M: de geldhoeveelheid in circulatie in de economie. V: de omloopsnelheid (het aantal keer dat die geldhoeveelheid in een jaar door het economische circuit stroomt). P: het prijspeil. Q: de productie binnen de economie. Let op de cruciale rol van de geldhoeveelheid. Veranderingen in de rentevoeten zijn op zich van weinig belang. Slechts in de mate dat die rentewijzigingen aanleiding geven tot veranderingen in de geldhoeveelheid in omloop en in de kredietverlening hebben ze een impact op het prijspeil en/of de economische activiteiten. In welke mate wijzigingen in het monetaire beleid het prijspeil dan wel de economische groei beïnvloeden, is trouwens één van de oudste en nog altijd niet beslechte discussies uit de economische wetenschap. Uitgedrukt in veranderingspercentages ziet de vergelijking van de kwantiteitstheorie er als volgt uit: M + V = P + Q Of: P = M + V - Q De laatste vergelijking drukt uit dat P (de verandering in het prijspeil of de inflatie) gelijk moet zijn aan de mate waarin de geldhoeveelheid in omloop wijzigt (M), vermeerderd met het percentage waarmee de omloopsnelheid van het geld verandert (V) en verminderd met de reële groei van de economie (Q). Zeker voor de kortere termijn wordt vaak de hypothese gemaakt dat V (de verandering in de omloopsnelheid van het geld) vrijwel constant blijft, zodanig dat het inflatieritme de resultante is van de aangroei van de geldhoeveelheid, gecorrigeerd voor het niveau van de reële economische groei. Die gedachtegang ligt aan de basis van de berekeningen in tabel 2. Conceptueel gelden de verhoudingen in de vergelijking van de kwantiteitstheorie altijd en overal. Het gaat immers veeleer om een boekhoudkundige identiteit dan om een hypothetische gedragsrelatie. Voor de praktische en accurate calculaties rijzen echter meestal vrij grote problemen bij de correcte keuze van de relevante grootheden. Een graai in die problementon: welke maatstaf moet men nemen voor de 'geldhoeveelheid in omloop'? In welke mate moet men rekening houden met de kredietverlening? Volstaat het als maatstaf voor de productie het Bruto Binnenlands Product (BBP) te nemen? Moet handel in de tweedehandsgoederen ook niet meegerekend worden? Hoe behandelt men de zwarte economie? En bovenal: spelen er - en zo ja, welke - vertragingen in de mate waarin de grootheden op elkaar inwerken? Ook na meer dan 300 jaar blijft één conclusie van de kwantiteitstheorie overeind: zonder een structurele toename van de geldhoeveelheid in omloop (M) is een langdurige periode van inflatie (hoge P) uitgesloten.