Er was eens een schaap dat Dolly heette. Het werd beroemd en was veel geld waard, stond in alle boekjes en iedereen wou met haar makers in bed. Maar Dolly ging dood. En net zo verging het PPL Therapeutics, het bedrijf dat de wereld in 1997 verbaasde door Dolly te klonen. De Schotse onderneming gaf er vorige week de brui aan en sluit de deuren.
...

Er was eens een schaap dat Dolly heette. Het werd beroemd en was veel geld waard, stond in alle boekjes en iedereen wou met haar makers in bed. Maar Dolly ging dood. En net zo verging het PPL Therapeutics, het bedrijf dat de wereld in 1997 verbaasde door Dolly te klonen. De Schotse onderneming gaf er vorige week de brui aan en sluit de deuren. Nochtans was Dolly even dé sensatie. De 'maakbare mens' leek een kwestie van jaren in die gekke jaren negentig. Toen twee jaar later Craig Venter en Celera Genomics het menselijke genoom hadden ontrafeld, werd het helemaal te gek. Als voorvoegsel deed 'biotech' zijn intrede in menig spaarfonds. Wie geld had, wou gouden rijst kopen, alzheimermuizen temmen en de ongekende limieten van het DNA verkennen. Maar in maart 2000 was het allemaal voorbij. De beurs crashte. Het vertrouwen was weg en de blues kon beginnen. Drie jaren ijstijd waren aangebroken. Hoe diep die dip een gat in uw beurs kan slaan, blijkt nu nog maar eens. Want op zijn hoogtepunt was PPL Therapeutics 100 keer meer waard dan vandaag. Je zou gek zijn om nog eens je centen in de mumbojumbo van die pillendraaiers en plantendokters te stoppen. En daar zit nu net het probleem. Het is de jongste jaren droevig gesteld met de Europese biotechnologie. Niet omdat de wetenschappers hier niets kunnen, maar omdat het schaarse geld dat durfkapitalisten nog in de sector steken, meestal vloeit naar ondernemingen die enige staat van maturiteit bezitten. En die zitten vooral in de Verenigde Staten. Daardoor wordt de kloof met het andere continent steeds dieper. Al doet Vlaanderen het niet slecht, zo blijkt. Galapagos, bijvoorbeeld, haalde in miezerige tijden 21 miljoen euro op. Tijdens die magere jaren zagen zelfs enkele nieuwe opstartbedrijven het licht, zoals Tigenix. 30 stuks telt die Vlaamse cluster nu al. Dat terwijl de inspanningen van de overheid en het Vlaams Interuniversitair Instituut voor Biotechnologie ( VIB) ooit pover leken af te steken tegen de boom in Duitsland, Nederland of Frankrijk. Maar tot op vandaag houden de Vlaamse biotechbedrijven veel beter stand dan bijvoorbeeld hun Duitse sectorgenoten, die collectief met financieringsproblemen te kampen lijken te hebben. Dat komt omdat de kwaliteit van de businessplannen hier hoger was en omdat hier sneller gestreefd werd naar kritische massa. Maar laten we ons geen illusies maken: de strijd op het pillen- en plantentoneel wordt meedogenloos gestreden. De ambitie om zoals Amgen in de VS dankzij één knalproduct uit te groeien tot een nieuwe farmaspeler moet zelfs Innogenetics - het enige beursgenoteerde Belgische biotechbedrijf - opbergen. De onderneming uit Zwijnaarde mag dan net 23 miljoen euro kapitaal hebben opgehaald, het zoekt een partner voor de verdere ontwikkeling van zijn topproduct tegen hepatitis. Geneesmiddelen ontwikkelen is gewoon duurder dan tien jaar geleden. Ook Devgen en CropDesign moesten hun ambities bijstellen. Beide exploiteren bewust hun eigen technologieplatform voor derden. Ook Galapagos doet dat. Via die inkomstenstroom kregen de ondernemingen ademruimte en de ruimte om te wachten tot het beursintroductievenster opnieuw opengaat. De moraal van het verhaal: de Vlaamse voorzichtigheid was voor een keertje eens een voordeel. Roeland Byl