Groot-Brittannië zit op de laatste rechte lijn naar de parlementsverkiezingen in mei. Aanvankelijk zag het ernaar uit dat de Conservatieven van David Cameron nu al verzekerd waren van een klinkende overwinning. Maar de voorsprong van de Tory's op de socialisten van Labour wordt steeds kleiner.
...

Groot-Brittannië zit op de laatste rechte lijn naar de parlementsverkiezingen in mei. Aanvankelijk zag het ernaar uit dat de Conservatieven van David Cameron nu al verzekerd waren van een klinkende overwinning. Maar de voorsprong van de Tory's op de socialisten van Labour wordt steeds kleiner. De verkiezing wordt een dubbeltje op zijn kant. Elk element kan beslissen over winst of verlies. En een van die elementen is het net verschenen boek van The Observer-journalist Andrew Rawnsley. In The End of the Party: the Rise and Fall of New Labour toont hij aan hoe de partij van Tony Blair en premier Gordon Brown de voorbije tien jaar onbekende successen haalde, maar ook door interne conflicten verscheurd werd. Rawnsley besteedt zowel aandacht aan het Labour-beleid als aan de persoonlijke vetes bij de Britse sociaaldemocraten. Het rapport van New Labour als combinatie van vrijemarkteconomie en sociale rechtvaardigheid oogt volgens Rawnsley fraai. De kwaliteit van de gezondheidszorg en van het onderwijs is verbeterd, al heeft het een bom geld gekost. Blair en co zorgden ook voor vrede in Noord-Ierland. En de tijd dat de socialisten alleen stemmen konden halen bij arbeiders en syndicalisten is voorbij. New Labour weet ook de middenklasse aan zich te binden. Al blijft de vraag of dit na de volgende verkiezingen nog het geval is. Een aantal realisaties wordt overschaduwd door de interne spanningen in de partij. Rawnsley besteedt enorm veel aandacht aan de cruciale relaties tussen Tony Blair, die jaren premier was en Gordon Brown, eerst minister van Financiën en sinds juni 2007 premier. Beiden waren bondgenoten en vrienden toen ze Labour in de jaren negentig moderniseerden en het collectivistische credo lieten vallen. Maar zodra Blair de macht nam in 1997 nam ook de rivaliteit toe. Blair had aan Brown beloofd op termijn baan te ruimen, maar Blair bleef zich vastklampen aan de functie van premier. Dit tot grote frustratie van Brown die Blair toeschreeuwde dat "hij zijn leven geruïneerd had". Brown komt in het boek naar voren als een bullebak van eerste categorie - roepen en tieren, met voorwerpen gooien - terwijl Blair vervelt van een communicatieve, vlotte jongen tot een uitgebluste politicus. Het koningsdrama over de opvolging van Blair door Brown is een typisch voorbeeld van kleinmenselijkheid. Oude vriendschap werd haat en Brown was zo gebrand op de post van premier dat hij niet alleen eiste dat Blair zou opstappen als premier. Hij wilde ook dat naast hem geen enkele tegenkandidaat opstond. Zoals te verwachten doet Rawnsley haarfijn uit de doeken hoe Blair tijdens de Irak-oorlog alle krediet verloor. Sindsdien had hij steeds minder vat op mensen in zijn omgeving. Gordon Brown werd een steeds grotere bedreiging. In de ogen van velen had een zwakke figuur als George W. Bush geen moeite om Blair te domineren. Blair was ervan overtuigd dat hij moeilijke dossiers als het vredesproces in het Midden-Oosten of de oorlog in Irak naar zich toe zou trekken. Dat lukte hem niet. Bush en zijn entourage waren sterker dan Blair dacht. ANDREW RAWNSLEY, THE END OF THE PARTY: RISE AND FALL OF NEW LABOUR, VIKING, 2010, 808 BLZ, 30 EURO A.M.