In de praktijk komt het vaak voor dat een vennootschap aan haar zaakvoerder of bestuurder een woning ter beschikking stelt voor privégebruik. In de klassieke opvatting vormt die terbeschikkingstelling een beroepsmatig voordeel van alle aard, lees een bezoldiging. De waarde van die bezoldiging wordt forfaitair geraamd. Behoudens in het geval van zeer bescheiden woningen is zij gelijk aan twee maal 100/60ste van het geïndexeerde kadastraal inkomen. Die berekeningswijze heeft tot gevolg, dat de belastbare grondslag dikwijls erg bescheiden is; en dat de te betalen belasting dus ook laag is.
...

In de praktijk komt het vaak voor dat een vennootschap aan haar zaakvoerder of bestuurder een woning ter beschikking stelt voor privégebruik. In de klassieke opvatting vormt die terbeschikkingstelling een beroepsmatig voordeel van alle aard, lees een bezoldiging. De waarde van die bezoldiging wordt forfaitair geraamd. Behoudens in het geval van zeer bescheiden woningen is zij gelijk aan twee maal 100/60ste van het geïndexeerde kadastraal inkomen. Die berekeningswijze heeft tot gevolg, dat de belastbare grondslag dikwijls erg bescheiden is; en dat de te betalen belasting dus ook laag is. De oorzaak is niet ver te zoeken. De berekening gebeurt, zoals gezegd, op basis van de kadastrale inkomens. Dat leidt automatisch tot scheeftrekkingen. Het kadastraal inkomen is immers een heel gebrekkig referentiepunt. De kadastrale inkomens die vandaag gehanteerd worden, weerspiegelen de huurwaarde op 1 januari 1975. Bovendien nemen zij in veel gevallen niet de werkelijke huurwaarde, maar slechts een vermoedelijke huurwaarde als uitgangspunt. Voor de berekening van de belasting op het voordeel van alle aard worden zij weliswaar geïndexeerd op basis van de evolutie van de kleinhandelsprijzen die zich sinds eind de jaren tachtig heeft voorgedaan. En de uitkomst van deze berekening wordt bovendien nog eens vermenigvuldigd met twee. Maar deze correcties nemen niet weg dat het resultaat van de berekening in veel gevallen relatief laag is. Veel lager dan de bedragen die vandaag op de huurmarkt gelden. Dat verklaart mee waarom zoveel vennootschappen een gratis woonst ter beschikking stellen van hun zaakvoerder, bestuurder of kaderlid. Het belastbaar voordeel van alle aard dat eruit voortvloeit is meestal veel lager dan de huur die men voor een dergelijke woning op de huurmarkt zou moeten betalen. Sommige belastingcontroleurs zien dit met lede ogen aan. En gaan op zoek naar wegen om een belasting te heffen die naar hun oordeel beter aansluit bij de werkelijkheid. Hun wapen? Dat van de 'abnormale en goedgunstige voordelen'. Hun redenering is even inventief als simpel: als een vennootschap aan de zaakvoerder én aan zijn gezinsleden een woning ter beschikking stelt, dan wordt die terbeschikkingstelling niet volledig verklaard door de uitoefening van het mandaat als zaakvoerder (dat mandaat zou immers niet verklaren waarom ook de partner en de kinderen gratis mogen wonen). Het voordeel heeft dus - in die redenering - geen exclusief beroepsmatige oorzaak. Bijgevolg gaat het om een 'abnormaal en goedgunstig voordeel'. Zo'n voordeel moet aan de winst van de toekennende vennootschap worden toegevoegd. Het verschil met de benadering waarin men de gratis woonst als een forfaitair te ramen voordeel van alle aard beschouwt, is dat de belastbare grondslag nu niet beperkt is tot een weinig realistische waarde die gebaseerd is op het kadastraal inkomen, maar dat de werkelijke waarde van het voordeel in rekening wordt gebracht. De rechtbank van eerste aanleg in Gent heeft deze benadering in een vonnis van 23 juni 2010 gebillijkt. Het is niet uitgesloten dat zij straks door andere rechters gevolgd zal worden. Wat moeten we hiervan denken? Dat met deze nieuwe benadering bekende principes over bezoldiging, voordelen van alle aard en forfaitaire raming op hun kop worden gezet, staat buiten kijf. Anderzijds kan men niet voorbij aan de vaststelling dat de wetgever de forfaitaire raming van sommige voordelen van alle aard, waaronder de gratis huisvesting, al jaren op haar beloop heeft gelaten. Daardoor is in veel gevallen een grote discrepantie ontstaan tussen het werkelijke en het wettelijke landschap. In het werkelijke landschap zijn de huurprijzen meestal veel duurder dan de belastbare voordelen van alle aard die aangerekend worden voor het ter beschikking stellen van gratis woonst aan de zaakvoerder, het bestuurs- of kaderlid. Dat sommige rechters meestappen in de redenering van de belastingadministratie kan dan ook uitgelegd worden als een kleine opstand: als de wetgever niet doet wat hij moet doen, zal de rechter het oplossen. JAN VAN DYCK, Advocaat en hoofdredacteur van FiscoloogJAN VAN DYCKDe manier waarop het voordeel van gratis woonst gewaardeerd wordt, is in veel gevallen achterhaald.