Levensverzekeringen zijn een belangrijke aanvulling van uw wettelijk pensioen. Op uw pensioenleeftijd krijgt u immers een kapitaal gevormd door uw jaarlijkse premies, die worden gekapitaliseerd tegen een bepaalde rentevoet. Het gewaarborgde rendement kan eventueel worden aangevuld met een winstdeelname. Voor uw gemoedsrust is het dan goed dat u weet hoeveel de gestorte premies zullen opbrengen. Maar dat is niet altijd het geval.
...

Levensverzekeringen zijn een belangrijke aanvulling van uw wettelijk pensioen. Op uw pensioenleeftijd krijgt u immers een kapitaal gevormd door uw jaarlijkse premies, die worden gekapitaliseerd tegen een bepaalde rentevoet. Het gewaarborgde rendement kan eventueel worden aangevuld met een winstdeelname. Voor uw gemoedsrust is het dan goed dat u weet hoeveel de gestorte premies zullen opbrengen. Maar dat is niet altijd het geval. Voor alle duidelijkheid: we hebben het hier alleen over zogenaamde Tak 21-producten. Dat zijn levensverzekeringen met een gewaarborgd rendement. We denken bijvoorbeeld aan verzekeringsrekeningen (zoals de First-rekening van Ethias of de Crest-rekening van Axa) of aan de klassieke levensverzekering, waarbij een kapitaal wordt uitbetaald op pensioenleeftijd. Het gaat zowel om fiscale contracten (waarvan de premies onder bepaalde voorwaarden fiscaal aftrekbaar zijn) als om niet-fiscale contracten (waarvan de premies fiscaal niet worden afgetrokken). Het gewaarborgde rendement kan worden aangevuld met een jaarlijkse winstdeelname. Die bonus is niet zeker, maar hangt af van de (beleggings)resultaten van de verzekeraar. Tak 21-producten mogen niet verward worden met Tak-23 producten. Dat zijn levensverzekeringen gekoppeld aan beleggingsfondsen (beveks). De opbrengst daarvan is niet zeker en dus vergelijkbaar met die van een aandelenbelegging. We zullen het verder niet hebben over de Tak 23-producten. Op een Tak 21-product mag het gewaarborgde rendement momenteel ten hoogste 3,75 % per jaar bedragen. Dat is in een Koninklijk Besluit vastgelegd. Als we eens kijken naar onze buurlanden, dan is dat wettelijke maximum van 3,75 % hoog. In Nederland bijvoorbeeld ligt het op 3 %, in Duitsland en Oostenrijk op 2,75 % en in Frankrijk, Italië en Luxemburg op 2,5 %. Het gaat hier wel om maxima. De verzekeraars zijn dus niet verplicht om dat maximum aan te bieden. Het staat hen vrij om een lagere interestvoet te geven op hun Tak 21-producten. Als we eens terugkijken in het verleden, stellen we vast dat de gewaarborgde rente voor contracten die werden afgesloten voor 1 januari 1999, 4,75 % bedroeg (tarief van toepassing tussen 1986 en 31 december 1998). Sinds 1 januari 1999 tot nu is het wettelijke maximum verlaagd tot 3,75 %. Vandaag staat dat maximum opnieuw onder druk. Volgens Assuralia, de beroepsvereniging van de verzekeraars, drukt het gewaarborgde rendement de rentabiliteit van de verzekeringsmaatschappijen. Assuralia wil de maximumrente dan ook afschaffen en stelt voor de Europese norm te volgen, waar het rendement niet meer mag zijn dan 60 % van de langetermijnrente (of de Olo-rente op tien jaar). Dat zou betekenen dat de maximale rente op dit ogenblik tussen 2,1 % en 2,4 % zou uitkomen. De federale minister van Economie Marc Verwilghen (VLD) is daarover een wetsontwerp aan het voorbereiden. Ondertussen hebben de verzekeraars niet gewacht om de invloed van de dalende langetermijnrente door te rekenen. Fortis AG, Axa, ING en Fidea hebben het gewaarborgde rendement op hun Tak 21-producten in de zomer van 2005 verlaagd van 3,25 % naar 2,50 % per jaar. Interessant om weten is hoe verzekeraars het gewaarborgde rendement op hun Tak 21-producten proberen te verwezenlijken. Enerzijds heeft de verzekeraar de verplichting om de klanten het contractueel vastgelegde rendement te geven. Dat geheel van verplichtingen noemt men in het vakjargon ook wel de passiva ( liabilities). Anderzijds ontvangt de verzekeraar een heleboel premies van de klanten, ook wel de activa ( assets) genoemd. Opdat een verzekeraar aan al zijn verplichtingen kan blijven voldoen, moeten de liabilities en de assets elkaar in evenwicht houden. De technieken die verzekeraars gebruiken om dat doel te bereiken, duidt men aan met de term ALM ( assets & liabilities management). Volgens de algemene regel is het zo dat de gegarandeerde rendementen van levensverzekeringen binnen Tak 21 gekoppeld zijn aan de marktomstandigheden. De activa worden meestal voor 80 à 90 % belegd in langlopende obligaties (meestal op acht à tien jaar). Die geven een zeker rendement. De rest van de activa wordt belegd in meer risicovolle financiële instrumenten zoals aandelen, opties en swaps. Bedoeling is op die manier een meerwaarde te creëren die vervolgens (deels) kan worden uitgekeerd in de vorm van een bonus of winstdeelname. Het rendement van een Tak 21-product wordt volgens specialisten vooral bedreigd door een aanhoudende periode van lage rente. Tak 21-producten moeten het immers vooral hebben van de obligatiecoupons die worden uitgekeerd. Als de rente begint te stijgen, is er geen probleem, want obligatieleningen die op eindvervaldag komen, worden automatisch vervangen door nieuwe waarop een hogere coupon betaald wordt. In een periode van aanhoudend lage rente echter slinkt het aantal oude obligaties die nog hoge coupons uitkeren systematisch ten voordele van nieuwe met een lagere coupon. Een winstdeelname is een bonusrendement dat de verzekeraars bovenop de gewaarborgde rente jaarlijks geven aan de houders van een levensverzekering. De bonus hangt af van de winst die verzekeraars maakten met hun beleggingen. De verzekeraars kunnen trouwens zelf kiezen welke bonus ze uitkeren. Verzekeraars zijn wettelijk alleen verplicht daarin voldoende transparant te zijn en moeten hun verzekerden inlichten over de manier waarop ze de winstdeelname berekenen. De verzekeraars moeten hun berekeningen voor de winstdeelnames ook laten goedkeuren door de Commissie van het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA). Opmerkelijke vaststelling bij de toewijzing van de winstdeelnames is het principe: hoe lager het gewaarborgde rendement, hoe hoger de bonus - en vice versa. Wie dus een verzekering heeft met een gewaarborgd rendement van 4,75 %, zal in principe geen bonus krijgen. Wie een verzekering heeft met een rendement van bijvoorbeeld 3,75 %, krijgt een bonus van 0,50 %, zodat het totale rendement gelijk is aan 4,25 %. Bij een gewaarborgde rente van 3,25 %, krijgt u een bonus van 1 % enzovoort. Zo bestaan er ook formules waarbij de verzekeraars alleen een kapitaalinbreng garanderen, met ander woorden een 0 %-verzekering, aangevuld met een bonus van bijvoorbeeld 4 %. Dat principe is te verklaren door het feit dat een verzekeraar minder zekerheden moet inbouwen bij een lagere gewaarborgde rente en dus iets volatieler op de markten kan beleggen. Een lagere basisrente is niet per definitie nadelig voor de klant. U krijgt immers niet alleen een hogere winstdeelname, maar u geniet ook fiscaal een groter voordeel. Een winstdeelname wordt namelijk nooit belast. Dat is in principe wel het geval voor het gewaarborgde rendement, althans voor zover u een fiscaal contract heeft. Kiest u voor een levensverzekering waarvan u de premies fiscaal aftrekt (beperkt tot 1870 euro voor inkomstenjaar 2005), dan zal er op uw zestigste verjaardag een belasting van 10 % worden ingehouden. Die 10 % wordt ingehouden op de premies gekapitaliseerd tegen de gewaarborgde rentevoet (bijvoorbeeld 3,25 %). De winstdeelname die u al die jaren gekregen hebt, is belastingvrij. Kiest u voor een verzekeringsrekening (bijvoorbeeld de First-rekening van Ethias of de Crest-rekening van Axa), dan kunt u de premies fiscaal niet aftrekken. Er zal echter toch 15 % roerende voorheffing worden ingehouden als u het kapitaal binnen acht jaar opvraagt. Daarom worden veel van die verzekeringsrekeningen aangeboden voor acht jaar en één dag. Dat alles verklaart waarom een contract met een gewaarborgde rente van 4,75 % soms minder opbrengt dan een contract met een gewaarborgde rente van 3,25 % aangevuld met een winstdeelname van 1 %. Is er geen sprake van discriminatie als u weet dat contracten van vóór 1999 (met een gewaarborgde rente van maximaal 4,75 %) geen winstdeelname krijgen en contracten van na 1999 (met een gewaarborgde rente van 3,75 % of minder) wel? Dat lijkt op het eerste gezicht zo, maar wettelijk is er geen verplichting voor de verzekeraars om aan alle contracten dezelfde winstdeelname toe te kennen. Ze kunnen vrij beslissen welke bonus er zal worden uitbetaald. Voor een verzekeraar is het bijvoorbeeld veel goedkoper om een grotere bonus toe te kennen aan een jonge portefeuille, omdat de totale reserve (de gestorte premies) er veel kleiner is. De kost van een winstdeelname is altijd proportioneel met de grootte van de reserve. Johan Steenackers