In een door hem zelf ondertekende rondzendbrief in verband met de toepassing van de nieuwste algemene antimisbruikbepaling, laat de minister van Financiën weten dat men bij het interpreteren van fiscale wetteksten eerst en vooral moet kijken naar wat in de wet zelf te lezen staat. Of anders gezegd: bij een duidelijke wettekst is er geen ruimte om verder te zoeken naar wat de wetgever in werkelijkheid bedoeld kan hebben.
...

In een door hem zelf ondertekende rondzendbrief in verband met de toepassing van de nieuwste algemene antimisbruikbepaling, laat de minister van Financiën weten dat men bij het interpreteren van fiscale wetteksten eerst en vooral moet kijken naar wat in de wet zelf te lezen staat. Of anders gezegd: bij een duidelijke wettekst is er geen ruimte om verder te zoeken naar wat de wetgever in werkelijkheid bedoeld kan hebben. Die ministeriële tussenkomst is opmerkelijk. Om te beginnen gebeurt het uiterst zelden dat een minister fiscale rondzendbrieven zelf ondertekent. Als hij dat toch doet, wijst dat er doorgaans op dat ofwel het om een zeer belangrijke stellingname gaat, ofwel dat zijn administratie het niet eens geraakt over de manier waarop ze tegen een bepaald probleem moet aankijken. Het idee dat een duidelijke wettekst niet geïnterpreteerd hoeft te worden, kan moeilijk als een zeer belangrijke stellingname worden aangemerkt. Het gaat om een principe dat al sinds mensenheugenis in de rechtsleer en rechtspraak bezegeld is. Rest dus slechts de hypothese dat de minister elke discussie daarover, in het kader van de nieuwe algemene antimisbruikbepaling, in de kiem heeft willen smoren. Krachtens die bepaling wordt in de inkomstenbelasting als misbruik aangemerkt, elke rechtshandeling die het doel van de fiscale regeling frustreert, zonder dat er voor die rechtshandeling een voldoende andere rechtvaardiging bestaat dan het ontwijken van de inkomstenbelasting. Van 'misbruik' kan dus slechts sprake zijn als ik iets doe dat strijdig is met de doelstelling van de fiscale wet. Daarvoor is dan wel vereist dat de doelstelling gekend of kenbaar is. Als ik zelfs bij benadering niet kan weten wat de wetgever juist heeft bedoeld, kan ik er onmogelijk van beschuldigd worden het doel van de wetgeving te frustreren. Het is in die context dat de door de minister gesigneerde rondzendbrief begrepen moet worden. Als de wettekst duidelijk is en ik mij op die wettekst beroep, kan er geen sprake zijn van misbruik. Stel dat ik morgen een huis wil bouwen, ik over voldoende spaarmiddelen beschik, maar toch een hypothecaire lening afsluit om op die manier een beroep te kunnen doen op de fiscale aftrek voor de 'enige eigen woning'. Het lijdt geen twijfel dat ik in zo'n geval niet van misbruik beschuldigd kan worden. De aftrek voor de enige eigen woning is klaar en duidelijk in de wet zelf geregeld. De wettekst bepaalt hoe en wanneer die aftrek van toepassing is. Er is bijgevolg - om het met de woorden van de minister te zeggen - geen aanleiding om verder te kijken dan hetgeen in dit verband in de wet zelf te lezen staat. Van enige beschuldiging van 'misbruik' kan derhalve geen sprake zijn. Deze ministeriële stellingname is, hoe vanzelfsprekend zij ook is, toch welgekomen. Het valt immers niet uit te sluiten dat sommige fiscale ambtenaren de nieuwe algemene antimisbruikbepaling als een vrijgeleide zullen zien om van alles en nog wat als misbruik te beschouwen, en daarbij zullen verwijzen naar allerlei doelstellingen die zij menen te kunnen ontwaren in de wettekst zelf, in de parlementaire voorbereiding, of - erger nog - in de voorstelling die zij zich van die doelstelling hebben gemaakt. De ministeriële tussenkomst roept hen bij voorbaat tot de orde: vooraleer zij te vuur en te zwaard tegen mogelijk misbruik ten strijde mogen trekken, moeten zij er zich van vergewissen, dat de wettekst onduidelijk is. Anders is het verhaal gedaan. De hamvraag is dan wel wat men onder een 'duidelijke' wettekst moet verstaan. Neem bijvoorbeeld. - buiten de context van de algemene antimisbruikbepaling - het tarief van de aftrek voor risicokapitaal. Voor kleine vennootschappen is dat tarief een half procentpunt hoger. Sinds het aanslagjaar 2010 is het probleem opgelost. Maar voor de daaraan voorafgaande aanslagjaren wordt voor de hoven en rechtbanken nog altijd verwoed strijd geleverd over wat onder een 'kleine' vennootschap moet worden verstaan. Terwijl de wettekst op dat punt, althans volgens de betrokken vennootschappen, zeer duidelijk was. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. www.fiscoloog.be JAN VAN DYCKEen duidelijke wettekst hoeft niet geïnterpreteerd te worden.