Gelijkheid is een heikele kwestie in fiscale aangelegenheden. Het is een belangrijk principe dat een fiscale wet het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel niet mag schenden. Maar dat is niet alles. Zo voelen belastingplichtigen die na een controle een navordering moeten betalen zich weleens benadeeld, omdat hun buurman of concurrent precies hetzelfde heeft gedaan, maar daar toch mee wegkomt, bijvoorbeeld doordat hij geen controle krijgt.
...

Gelijkheid is een heikele kwestie in fiscale aangelegenheden. Het is een belangrijk principe dat een fiscale wet het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel niet mag schenden. Maar dat is niet alles. Zo voelen belastingplichtigen die na een controle een navordering moeten betalen zich weleens benadeeld, omdat hun buurman of concurrent precies hetzelfde heeft gedaan, maar daar toch mee wegkomt, bijvoorbeeld doordat hij geen controle krijgt. Nog een andere zaak is dat de belastingadministratie na verloop van tijd een andere invulling geeft aan een wet, terwijl die toch niet werd aangepast. Ook dat ervaart een rechtsonderhorige als een ongerechtvaardigde ongelijkheid. Hoewel de wet dezelfde is gebleven, mogen wij minder dan onze voorgangers, luidt dan de kritiek. Maar zo'n nieuwe interpretatie is niet alleen in theorie mogelijk, het gebeurt ook in de praktijk. Twee recente voorbeelden illustreren dat. De meerwaarde op aandelen is voor de personenbelasting belastingvrij, tenzij die winsten op een speculatieve manier zijn gerealiseerd. De verkoop van aandelen aan een eigen holdingvennootschap en de inbreng ervan in de vennootschap worden onder bepaalde omstandigheden als speculatief beschouwd, en dus belast. De rulingcommissie hanteerde vaste criteria volgens welke zo'n transactie fiscaal is vrijgesteld. Maar midden vorig jaar voegde ze daar een voorwaarde over het zogenoemde cashexces aan toe. Daardoor werden heel wat transacties die in het verleden niet belastbaar waren, voortaan wel belast, zonder dat de fiscale wet is gewijzigd. Een ander voorbeeld is de regelgeving over de schenkings- en successierechten voor familiale vennootschappen die overwegend onroerende goederen aanhouden. Als het aanhouden van die onroerende goederen een economische activiteit is, kunnen ze aanspraak maken op een voordeeltarief, anders niet. Vanaf de invoering van die bepaling in 2011 heeft de Vlaamse belastingadministratie vrij eenvoudig aanvaard dat onroerende goederen als economische activiteit kunnen worden beschouwd. In de omzendbrief van 20 juli 2012 kwam de dienst daarop terug. Vanaf 2015 zou ze daarin restrictiever optreden. Ook dat gebeurde zonder dat de wet werd aangepast. Zulke administratieve standpunten met zeer verreikende gevolgen worden ook weleens aangeduid met de term 'pseudowetgeving'. Politiek-filosofisch is pseudowetgeving verwerpelijk. De scheiding der machten moet normaal gesproken beletten dat de fiscus, die tot de uitvoerende macht behoort, zich op het terrein van de wetgever kan begeven. Als uitvoerende macht is het zijn taak te waken over de naleving van de fiscale wetten. Maar er is meer. De belastingplichtige die tegen die pseudowetgeving wil reageren, heeft zeker steekhoudende argumenten. De administratie moet behoorlijk handelen en heilige principes als het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel respecteren. De burger moet precies weten wat de overheid van hem verlangt. Daarenboven moet de overheid de geldende rechtsregels juist en consequent toepassen. De plotse gemoedswisselingen, zoals de administratie die in de genoemde gevallen aan de dag legt, beantwoorden daar niet aan. Zelfs het internationale recht komt de burger tegemoet. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens beschermt de belastingplichtige door erover te waken dat hij vooraf op basis van de wet moet kunnen weten welke voorwaarden de fiscale wet hem oplegt. De tendens dat de administratie steeds meer macht verwerft via die pseudowetgeving, kent zonder enige twijfel haar grenzen. De bom staat wellicht zelfs op barsten. Jan Tuerlinckx is advocaat van Tuerlinckx Fiscale Advocaten. JAN TUERLINCKXDe scheiding der machten moet beletten dat de fiscus, die tot de uitvoerende macht behoort, zich op het terrein van de wetgever kan begeven.