De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) heeft de "maximale beschikbare marge voor de loonkostenontwikkeling" vastgelegd: 5,5 % voor 2007 en 2008. Afgelopen maandag zat de Groep van Tien al voor het eerst samen. Het wordt moeilijk, lieten de onderhandelaars horen.
...

De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) heeft de "maximale beschikbare marge voor de loonkostenontwikkeling" vastgelegd: 5,5 % voor 2007 en 2008. Afgelopen maandag zat de Groep van Tien al voor het eerst samen. Het wordt moeilijk, lieten de onderhandelaars horen. Dat is zeker. De marge voor reële loonsverhogingen bedraagt slechts 1,6 %, want de index wordt geschat op 3,9 %. Een redelijke marge, maar volgens het CRB-rapport hebben we in 2005 en 2006 een concurrentiehandicap van 1,1 % opgebouwd. De wet van 1996 - die de basis voor de loonnorm vormt - zegt dat de handicap die in de vorige periode is opgelopen kan gerecupereerd worden. 'Kan' en niet 'moet'. Er zal dus zeker een zware discussie ontstaan over de grootte waarmee de CRB-marge wordt verminderd. Bij een (onwaarschijnlijke) volledige recuperatie bedraagt de reële marge nog maar 0,5 %. Een half procent is bijna onmogelijk als we de wet van 1996 strikt toepassen - en daar hebben de sociale partners in het voorjaar zelf op aangedrongen. De wet zegt dat de maximale marge - ook na eventuele verminderingen - de indexering en de baremieke verhogingen moet garanderen. De loondrift (baremieke en individuele loonsverhogingen) werd bij de voorstelling van het CRB-rapport als marginaal voorgesteld (0,2 %), maar in het verleden piekte hij al eens op 2,6 % (1999). De loondrift is meestal hoger tijdens of kort na een periode van economische groei. Voor 2007-2008 lijkt een loondrift van 0,2 % ons onwaarschijnlijk. En in bediendesectoren kom je waarschijnlijk met 0,5 % niet toe. De strikte toepassing van de wet van 1996 doet nog wel meer problemen rijzen. Zo zijn de all-inakkoorden - die een hogere indexevolutie dan verwacht neutraliseren - in principe in tegenspraak met de wet: ze garanderen namelijk de indexering niet. Ook het idee van de vakbonden van een indicatieve loonnorm, die ruimte geeft aan de sectoren om hoger dan de norm te gaan, kan niet. De wet zegt zeer duidelijk dat sectorale cao's binnen de maximale marge moeten blijven. Overschrijdingen worden zelfs beboet. Maar is al dat cijfergegoochel wel zinvol als we weten dat de CRB jaarlijks zijn cijfers aanpast, en soms zelfs erg drastisch? Zo blijkt het concurrentieverlies van 1,4 % in 2004 omgedraaid in een concurrentiewinst van 0,1 % een jaar later (zie blz. 26). Het is zeker nuttig om de cijfers te kennen, het is verstandig rekening te houden met de vergissingen uit het verleden. Die zijn trouwens bijna onvermijdelijk. Hoe kan je immers nu al voorspellen welke akkoorden de Duitse vakbonden in 2008 zullen sluiten? Dat heeft meer weg van glazenbolkunde dan van wiskunde. Agoria wil daarom de loonnorm afschaffen en vrij onderhandelen over de bestaande loonhandicap: 8 % sinds 1987. Met de huidige wet kan die handicap nooit goedgemaakt worden. Maar wat als er zonder wet geen akkoord wordt bereikt? Meer sociale onrust en mogelijke loonontsporingen dreigen dan. Dat kan vermeden worden als vakbonden en werkgevers aan tafel zouden gaan zitten met als gezamenlijk doel de vernieuwing van onze economie. Dat is een ander verhaal dan in een aanval- en verdedigingsspelletje een koekje van enkele tienden procenten proberen te verdelen. Guido Muelenaer