Het zesde jaar is gewoonlijk de tijd dat een Amerikaans presidentschap tekenen van ouderdom begint te vertonen. De tussentijdse verkiezingen voor het Congres in november luiden doorgaans het virtuele einde in van de binnenlandse wetgevende agenda van de president. Ze vormen ook het moment waarop politiek Amerika de aandacht wendt naar zijn opvolging en de lame duck in het Witte Huis nog een paar jaar de tijd geeft om zijn nalatenschap op het vlak van buitenlands beleid te vestigen, terwijl hij gewoonlijk nog een aantal schandalen moet afwenden (De Iran-Contra-affaire voor Reagan, Monica Lewinsky voor Bill Clinton).
...

Het zesde jaar is gewoonlijk de tijd dat een Amerikaans presidentschap tekenen van ouderdom begint te vertonen. De tussentijdse verkiezingen voor het Congres in november luiden doorgaans het virtuele einde in van de binnenlandse wetgevende agenda van de president. Ze vormen ook het moment waarop politiek Amerika de aandacht wendt naar zijn opvolging en de lame duck in het Witte Huis nog een paar jaar de tijd geeft om zijn nalatenschap op het vlak van buitenlands beleid te vestigen, terwijl hij gewoonlijk nog een aantal schandalen moet afwenden (De Iran-Contra-affaire voor Reagan, Monica Lewinsky voor Bill Clinton). In het geval van George Bush ziet het zesde ambtsjaar er bijzonder deprimerend uit, zeker als we zien met welke snelheid zijn presidentschap verouderd is in 2005. Het eerste jaar van zijn tweede ambtstermijn was niet helemaal verstoken van succes. Hij kan onder meer verwijzen naar een faillissementswet, naar een vrijhandelszone in Centraal-Amerika en naar de benoeming van John Roberts tot opperrechter van de Verenigde Staten. Maar het binnenlandse project waarin hij de meeste energie gestoken heeft - de hervorming van de sociale zekerheid - geraakte nergens, het tromgeroffel van vernieling in Irak blijft aanhouden, orkaan Katrina kelderde Bush' reputatie als crisismanager en er dook een zweem van schandalen op in de conservatieve hiërarchie, meer bepaald de aanklacht tegen de belangrijkste Republikeinse voorman in het Huis van Afgevaardigden, Tom DeLay. Het gevolg is dat een president, die in 2004 onbedreigd opnieuw aan de macht kwam met meer stemmen dan om het even welke voorgaande kandidaat, een groot deel van 2006 in het defensief zal moeten spelen. Het ziet er sterk naar uit dat de Republikeinen hun greep op het Congres zullen behouden na de tussentijdse verkiezingen: ze moeten relatief weinig zetels verdedigen in de Senaat en de zitjes in het Huis van Afgevaardigden worden afgeschermd door de partijdige indeling van kiesdistricten. Intussen blijven de Democraten rondzwalpen. Maar het kan ook nipt worden, bijvoorbeeld als Irak ten kwade keert of er een nieuw schandaal losbarst. Bush zal ongetwijfeld trachten terug te plooien op zijn conservatieve basis, maar er zijn aanwijzingen dat ook daar wrijvingen ontstaan. Heel wat voorstanders van een beperkte staatsmacht zijn woedend over de stijgende uitgaven. Conservatieve krachten in het zakenleven zijn van oordeel dat te veel tegemoetgekomen werd aan de religieuze conservatieven in kwesties zoals het gebruik van stamcellen. En zowat iedereen is boos over de knoeiboel in Irak. Bush zal 2006 nodig hebben om zijn mandaat opnieuw te bevestigen. Dat wil zeggen dat hij orde zal moeten scheppen en het Congres zal moeten intomen. In tegenstelling tot Ronald Reagan, is deze president een conservatief voorstander van grote staatsinmenging. Hij is ervan overtuigd dat de staat kan gebruikt worden voor rechtse doelstellingen, zoals de herwaardering van het gezin of de wederopbouw van New Orleans volgens conservatieve principes. Dat is, om het zacht uit te drukken, een riskante filosofie, die echter geen kans op slagen heeft als Bush op dezelfde lichtzinnige manier blijft te werk gaan. Tijdens de eerste vijf jaar van zijn presidentschap heeft Bush gepoogd de belastingen te verlagen en stond hij tegelijk toe dat het Congres geld verkwistte. Dat is op zich al ongezond: het begrotingstekort zal volgend jaar 3,9 % van het BBP bedragen en het plaatje wordt nog een stuk somberder naar het einde van het decennium, wanneer de belastingverlagingen van Bush in theorie zullen uitdoven (al zal dat in de praktijk niet zo zijn) en de uitgaven voor uitkeringen de pan beginnen uitrijzen naarmate de enorme babyboomgeneratie met pensioen gaat. Er werd ook geld verspild aan stemmenlokkende overheidsprojecten (zoals de befaamde 'brug naar nergens' in Alaska). Met een beetje geluk wordt 2006 het jaar waarin Bush zijn veto-pen terugvindt. Zal een nieuw tijdperk van budgettaire rechtlijnigheid de doodsklok luiden over hervormingen zoals die van de sociale zekerheid? Niet noodzakelijk en wel om twee redenen. Primo: hoewel een hervorming van de rechten op uitkering duur is op korte termijn, is het de enige manier om op lange termijn de bestedingen van de overheid naar beneden te halen. Secundo: de enige mogelijkheid voor Bush om een pensioenhervorming door het Congres te jagen in 2006 bestaat erin ze te combineren met een herziening van het belastingsysteem. Heel wat Europeanen zullen om het even welk teken van zwakte in deze ruimschoots verafschuwde regering verwelkomen. Ze hebben daarin ongelijk. Wat de rest van de wereld kan missen als de pest, is een Amerikaanse president die opgeslorpt wordt door binnenlandse onrust. Er zijn twee specifieke domeinen waar de Amerikaanse binnenlandse politiek zou kunnen doorsijpelen naar het buitenlands beleid en dat zijn China en Irak. Het is helaas meer dan waarschijnlijk dat de sinofobie zal toenemen in 2006. De anti-China-coalitie strekt zich uit van vakbondslui die zich zorgen maken over hun job tot veiligheidsmensen die zich zorgen maken over Taiwan en christelijke fundamentalisten die verbolgen zijn over de vervolging in Beijing. Bush heeft zeker gelijk om op sommige punten weerwerk te bieden tegen China, zoals de mensrechten en het wapenembargo, dat de Europeanen maar al te gretig zouden willen opgeven. Maar hij moet ook een waakzaam oog houden op protectionisme in eigen huis. Dat wordt een moeilijke zaak, omdat heel wat Republikeinen China beschouwen als een geschikte zondebok. Er is ook nood aan duidelijke taal in verband met Irak. De transatlantische discussie over het feit of de Iraakse oorlog wel al het bloed en de buit waard was, zal voortduren. De meeste Amerikanen zijn bereid de koers aan te houden, zolang ze een gunstige afloop kunnen verwachten. Het is echter onwaarschijnlijk dat ze zich in de luren laten leggen door de zorgeloze uitlatingen van Bush, als zou Amerika aan de winnende hand zijn en hij het juiste team en genoeg troepen heeft om de klus te klaren. Het zou natuurlijk mooi meegenomen zijn, mochten de bondgenoten van de VS bereid zijn een handje toe te steken. Een overwinning voor de opstandelingen in Irak is evenmin in het belang van Europa. De grootste druk ligt echter op Bush. Zowel in het binnen- als in het buitenland wordt 2006 een beslissend jaar voor de meest ambitieuze van alle presidenten. Volgend jaar krijgt hij de gelegenheid om zijn nalatenschap vast te leggen - voor het te laat is. De auteur is redacteur Verenigde Staten van The Economist.John Micklethwait