Mandenvlechters, paternosterdraaiers, molensteenslijpers, bezembinders, herders, klompenmakers, pastoors en onderpastoors, molenaars, voddenmannen, kuipers, touwslagers... Ooit waren het eervolle beroepen met aanzien, maar ondertussen zijn ze allemaal, vaak geruisloos, uit het straatbeeld verdwenen. Of hebben ze enkel nog een folkloristisch, toeristisch of educatief karakter. Gelukkig komen er ook voortdurend nieuwe beroepen bij: vijf jaar geleden bestond de app-ontwikkelaar niet, nu maakt hij het mooie weer.
...

Mandenvlechters, paternosterdraaiers, molensteenslijpers, bezembinders, herders, klompenmakers, pastoors en onderpastoors, molenaars, voddenmannen, kuipers, touwslagers... Ooit waren het eervolle beroepen met aanzien, maar ondertussen zijn ze allemaal, vaak geruisloos, uit het straatbeeld verdwenen. Of hebben ze enkel nog een folkloristisch, toeristisch of educatief karakter. Gelukkig komen er ook voortdurend nieuwe beroepen bij: vijf jaar geleden bestond de app-ontwikkelaar niet, nu maakt hij het mooie weer. Geen enkel beroep heeft een patent op het eeuwige leven. Blik vijftig jaar terug, en je bent verwonderd over welke alledaagse beroepen er zijn verdwenen. Voor het ene duurt de doodstrijd al wat langer dan voor het andere, tot bijvoorbeeld een nieuwe wet de genadeslag geeft. Misschien zijn er over twintig jaar wel geen café-uitbaters meer. In het interbellum telde elk Vlaams dorp nog tientallen cafés, vandaag zegeviert steeds vaker de leegstand. Sinds het rookverbod werd ingevoerd, zijn in België netto 3014 cafés verdwenen. Hoe komt het dat beroepen verdwijnen? Omdat er geen markt meer voor is. Omdat er wel nog een markt voor is, maar het elders veel goedkoper kan. Omdat machines hun plaats hebben ingenomen. Omdat nieuwe technologie hen bedreigt. Omdat er geen opvolging meer is. Omdat consumenten de kwaliteit van een artisanaal product niet meer erkennen. Of simpelweg omdat een nieuwe generatie de kennis mist om het beroep nog uit te oefenen. Het gros van de verdwenen beroepen zijn arbeidsintensieve ambachten. Tot voor de Tweede Wereldoorlog vond je in een doorsneestraat nauwelijks burgerhuizen. Iedereen was middenstander. De boer, de caféhouder, de smid en de lingerieverkoper avant la lettre schurkten tegen elkaar aan. De explosie van de supermarkten en de ketenwinkels vanaf de jaren zeventig zette een aantal ambachten onder druk, zoals dat van de artisanale slagers, meubelmakers en schoenmakers. De supermarktmanagers begonnen alles in het groot in te kopen, om het tegen een lage prijs te verkopen. Maar vooral de globalisering zette alles op zijn kop. "Daardoor doe je nu zaken met ondernemers aan de andere kant van de wereld", zegt Tom Kestens, ambachtenexpert bij Unizo. "In de beste der werelden levert je dat een concurrentievoordeel op, maar voor heel wat ambachtelijke beroepen was het aanvankelijk een nadeel, of betekende het zelfs de doodsteek, omdat hun producten elders veel goedkoper gemaakt konden worden, weliswaar met een veel mindere kwaliteit." Maar de globalisering biedt ook kansen. "In Limburg huist een barometermaker die een afzetmarkt heeft gevonden in Azië", vervolgt Kestens. "Terwijl hier niemand nog een barometer koopt, lopen de Aziaten er storm voor. Ze vinden het een mooi, romantisch instrument. Ik doe dus niet mee aan de klaagzang dat het allemaal de schuld van de globalisering is. Dat is ook mijn boodschap aan ambachtelijke ondernemers: de toekomst ligt misschien over de grens. Kijk over de grens van je eigen vak, werk samen met anderen, maar kijk ook over de grenzen van je dorp en je land. Onlangs ontmoette ik een Amerikaan die op zoek was naar iemand die nog geweerkolven met de hand maakte. Hij vond die in de Ardennen. Ontdek in welke landen je stiel gewaardeerd wordt, en richt je pijlen daarop." Het is een paradox van formaat: terwijl heel wat ambachten zwaar onder druk staan, zie je vooral bij jongeren een bijna romantisch verlangen naar het ambachtelijke, kleinschalige en authentieke. Trendbureaus spreken van een heropleving van het respect voor handwerk bij de Facebookgeneratie. Ambacht 2.0: jongeren starten passioneel een opleiding tot imker, meubelmaker, naaister of instrumentenbouwer, en offeren er hun vrije tijd aan op. Die jongeren bundelen ook hun krachten en hun kennis. Het is volgens Tom Kestens de enige manier om bijna verdwenen beroepen nieuw leven in te blazen. "Ik ken een instrumentenbouwer die instrumenten bouwt, maar daarnaast ook meubels maakt met een vriend die designer is en ze ontwerpt. Oudere vakmannen krijg je veel moeilijker uit hun solitaire omgeving. Het ideale scenario is de oudere en de jongere ambachtsmensen intens te doen samenwerken." Al moeten we ons hoeden voor een inflatie van het begrip 'ambacht'. Er is een hemelsbreed verschil tussen de hobbyist die een cursus van zes maanden volgt en de professionele vakman die vaak eeuwenoude technieken beheerst, minutieus overgedragen van vader op zoon. De grootste bedreiging voor vele beroepen is misschien het gebrek aan opvolging en opleiding. Nu al moeten Belgische meubelmakers op zoek naar ambachtslui in pakweg Oost-Europa, omdat ze hier niet meer vinden te zijn. Jarenlang was er in België geen opleiding tot schoenmaker meer. Pas sinds vorig jaar duiken ze weer op, maar de vraag is of het niet te laat is. "Het zou nefast zijn, mochten we voor dat soort expertise enkel nog terechtkunnen in het buitenland", zegt Kestens. Hij pleit voor een wettelijke bescherming van ambachten. Twee op de drie ambachtslui voelen zich ondergewaardeerd, bleek uit een enquête van Unizo. Het hart van de vakman bloedt als zijn expertise niet naar waarde geschat wordt. Daarom riep de werkgeversorganisatie een nieuw promotielabel in het leven: 'Handmade in Belgium'. Kestens: "We zijn ermee gestart omdat er geen wettelijk kader bestaat waarmee de overheid een gericht beleid kan voeren voor ambachtelijke beroepen. Er bestaat zelfs geen officiële beschrijving van het begrip 'ambacht'. Zo wordt de consument soms verleid door producten die zich ambachtelijk en authentiek noemen, maar het helemaal niet zijn." Aan het authenticiteitslabel van Unizo zijn strenge voorwaarden gekoppeld. Enkel wie zelfstandig is in hoofdberoep, maximaal twintig werknemers heeft, een nuttig product maakt waarvan minstens 50 procent van het productieproces met de hand gebeurt, komt ervoor in aanmerking. De mensen die we in deze reeks portretteren, zijn geen hobbyisten maar vakmannen die een zeldzaam geworden beroep uitoefenen dat niet zelden is doorgegeven van grootvader op vader op zoon. Ze zijn trots op hun vak en weigeren een minderwaardig product af te leveren, uit respect voor hun klanten. Een artisanale slager voelt hoelang een stuk vlees gerijpt heeft, een schoenmaker ziet in één oogopslag of een schoen goed genaaid is. Ze zijn de hoeders van kwaliteit. Sommige van die vakmensen zullen de strijd niet winnen. "Mijn beroep zal verdwijnen zodra ik sterf", vat de melkboer het treffend samen. Zodra ze ermee stoppen, vergruizelt meestal ook hun kennis. Door automatisering, schaalvergroting, wetgeving, een gebrek aan opvolging of simpelweg omdat niemand meer zo lang en zo hard wil werken. Want het allerbelangrijkste wat een ambachtelijke ondernemer nodig heeft, is tijd. Hij neemt zijn tijd om zijn product te maken, omdat het zijn passie is. Het kost tijd omdat het letterlijk door zijn handen gaat. Die tijd is meteen ook zijn achilleshiel. Want tijd kun je niet altijd uitdrukken in geld en rendement. Het enige wapen dat de ambachtelijke ondernemer dan nog rest, is -- om een heel ouderwets woord te gebruiken -- kwaliteit. In de hoop dat wij er nog voor willen betalen. ?SAM DE KEGEL, ILLUSTRATIE ANTON VAN STEELANDTGeen enkel beroep heeft een patent op het eeuwige leven.